Een groeiend archief

Inspiratie

Hier vind je inspiratie en informatie voor volwassenen over de 12 Gouden Bijbelverhalen. De wekelijks nieuwe bijdragen zorgen voor een groeiend archief, geordend per verhaal. Klik op een boektitel, zodat je alleen de bijdragen bij dat boek te zien krijgt.

Een buiging

Blog

Een buiging

Jos van Oord 5 oktober

Jos van Oord is theoloog en startte als predikant graag nieuwe initiatieven. Zo zette hij in Amersfoort-Noord een bloeiende oecumenische gemeenschap op en was hij een van de initiatiefnemers van De Kamers, een huis van ontmoeting, cultuur en inspiratie, in Vathorst (Amersfoort). Jos heeft een grote liefde voor de oeroude verhalen en de Bijbel is een van zijn belangrijkste bronnen van inspiratie. Samen met zijn zus Inez schreef hij de succesvolle uitgave 'Rebible'. 

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk van de boeken een brief aan een van zijn kleinkinderen.

Dag lieve Abel,

De tijd vliegt. Dat is best een vreemde uitdrukking, hè? Alsof de tijd zou kunnen vliegen als een vogel… Maar het zegt iets over onze beleving van tijd. Het gaat allemaal zo snel. En dat vind ik al helemaal als ik naar jou kijk. In een mum van tijd leerde je lopen. Eerst een paar stapjes, en nu scheur je al door het huis heen, met je beide armen in de lucht voor de balans. Je pakt nu zelf je laarsjes en een bal als teken dat het tijd wordt om naar buiten te gaan. In de wandelwagen zitten vind je maar niets, je wilt lopen, net als opa. 

Opstaan en gaan. Ik vind dat bijzonder aan de mens. Rechtop door het leven gaan. Dat zie je bij een veulen dat direct na de geboorte al pogingen doet te gaan staan. Jij deed er wat langer over, maar nu ben je zelf net een jong veulen: springen, rennen, vallen en weer opstaan. Och Abel, wat kun jij vallen. Maar na een huilbui en een knuffel pak jij jezelf weer bij elkaar en ga je verder.

Je zult gaandeweg wel merken dat het leven vallen en opstaan is. Huilen en lachen. Je kunt je aan van alles stoten, maar je daarna ook weer blij en vrij voelen. Ik zeg weleens dat je daarom met twee woorden over het leven moet spreken. Er is schaduw én zon. 

Wat jij mee hebt, is je lach. Je humor. Een paar weken geleden zaten we samen aan tafel en ik boog even naar je. En je deed het na. Je hoofd naar beneden, een paar keer. En wat gebeurde er toen ik je een paar dagen later weer zag? Een paar lichte buigingen met je hoofd… met een brede glimlach. Als een soort groet: hallo, opa! Ik schaterde het uit. Zo komisch! En wat nog grappiger is: je blijft het doen, elke keer als je me ziet, die kleine buiging.

Het deed mij trouwens denken aan een bekende groet uit een ver land: India. Wanneer mensen elkaar tegenkomen doen ze de handpalmen voor hun borst tegen elkaar en wordt er een lichte buiging gemaakt. En dan zeggen ze: namasté. En deze groet betekent zoiets als: het licht in mij begroet het licht in jou! Mooi hè? Dat hebben we nodig in ons leven, elkaar met liefde en respect begroeten en aandacht geven. Die gave is in jou dus al van nature aanwezig. Hou het vast, want daar kun je veel mensen blij mee maken, Abel. 

En mocht je het kwijt zijn, dan is er een bijzonder verhaal in de Bijbel over de vraag hoe je iemand kunt helpen. Het verhaal heet ‘De barmhartige Samaritaan’. Het is een verhaal over een mens die de nood van een ander ziet... en een kleine buiging maakt en daarmee een grote daad doet. Namasté!

 Opa Jos

Drie keer een andere kijk

Blog

Drie keer een andere kijk

4 oktober 2026

 

De stem van een christen

Als christen kijk ik naar het lijden en sterven van Jezus als naar het hart van mijn geloof. Het is voor mij niet alleen een aangrijpend verhaal over een onschuldige man die ter dood wordt gebracht. Ik geloof dat Jezus de Zoon van God is en dat zijn lijden en dood een bijzondere betekenis hebben voor de relatie tussen God en mensen.

Wanneer ik lees over de laatste uren van Jezus, word ik geraakt door zijn eenzaamheid, angst en pijn. Hij wordt verraden, gevangengenomen, bespot en gemarteld. Uiteindelijk wordt hij gekruisigd. Juist omdat ik geloof dat Jezus Gods Zoon is, vind ik het indrukwekkend dat hij deze weg vrijwillig is gegaan. Hij had volgens mijn geloof de macht om zich aan zijn tegenstanders te onttrekken, maar hij deed dat niet.

Ik geloof dat Jezus aan het kruis de gevolgen van de zonde van mensen op zich heeft genomen. Zonde betekent voor mij dat mensen zich van God afkeren en elkaar en zichzelf tekortdoen. Door zijn dood heeft Jezus volgens mijn geloof de weg naar vergeving en verzoening geopend. Zijn offer laat zien hoe groot Gods liefde voor mensen is.

Tegelijk vind ik het moeilijk om het lijden van Jezus volledig te begrijpen. Waarom moest het op deze manier? Daar heb ik geen eenvoudig antwoord op. Ik geloof wel dat God juist in het lijden aanwezig was en dat de dood niet het laatste woord heeft.

Dat laatste is voor mij heel belangrijk. Mijn geloof eindigt niet bij het kruis. Ik geloof dat Jezus uit de dood is opgestaan. Daardoor kijk ik anders naar zijn sterven. De kruisiging is verschrikkelijk, maar niet zinloos. Uit de diepste duisternis komt volgens mijn geloof nieuw leven voort.

Het lijden en sterven van Jezus roept mij daarom niet alleen op tot verdriet, maar ook tot vertrouwen. Ik zie in Jezus iemand die liefdevol blijft, zelfs wanneer anderen hem pijn doen. Zijn woorden en houding aan het kruis herinneren mij eraan dat ook ik geroepen ben om te vergeven, lief te hebben en mijn vertrouwen op God te stellen.

De stem van een jood

Als jood kijk ik anders naar het lijden en sterven van Jezus dan een christen dat doet. Jezus leefde als jood in een joodse omgeving. Hij kende de Thora, bezocht de synagoge en vierde de joodse feesten. Daarom zie ik hem allereerst als een joodse man uit een bewogen periode in de geschiedenis van mijn volk.

Het verhaal van zijn terechtstelling vind ik aangrijpend. Kruisiging was een wrede en vernederende manier van executie. Jezus werd door de Romeinse machthebbers ter dood gebracht. Als ik nadenk over zijn lijden, denk ik ook aan de vele andere mensen die in die tijd door het Romeinse rijk werden onderdrukt en gedood.

Ik begrijp dat christenen in de dood van Jezus een bijzondere betekenis zien. Zij geloven dat Jezus de Messias en de Zoon van God is en dat hij door zijn dood verzoening tussen God en mensen heeft gebracht. Vanuit het jodendom deel ik die overtuiging niet. Ik geloof niet dat Jezus God is of dat zijn dood een offer was waarmee de zonden van alle mensen zijn weggenomen.

Voor mij is het bovendien belangrijk om voorzichtig om te gaan met de vraag wie verantwoordelijk was voor Jezus' dood. Door de geschiedenis heen zijn joden soms als volk verantwoordelijk gehouden voor de kruisiging van Jezus. Dat heeft geleid tot verschrikkelijke vormen van antisemitisme en vervolging. Ik wijs die gedachte nadrukkelijk af. Jezus werd door de Romeinse overheid gekruisigd. Het is onjuist om de verantwoordelijkheid daarvoor bij alle joden te leggen.

Wat mij vooral bezighoudt, is dat Jezus' leven en dood onderdeel zijn van de joodse geschiedenis. Hij was zelf jood en zijn eerste volgelingen waren joden. De christelijke interpretatie van zijn dood is later een belangrijk onderdeel van het christelijk geloof geworden.

Ik kan dus verdriet en mededogen voelen bij het verhaal van Jezus' lijden, zonder dezelfde betekenis aan zijn dood te geven als christenen. Voor mij blijft hij een belangrijke historische persoon uit de joodse geschiedenis, maar niet de Messias of de Zoon van God zoals christenen dat geloven.

De stem van een moslim

Als moslim heb ik veel respect voor Jezus. In de islam noemen we hem Isa. Hij is voor mij een belangrijke profeet en boodschapper van God. Ik geloof dat hij op wonderlijke wijze werd geboren uit Maryam, Maria, en dat hij bijzondere wonderen verrichtte met toestemming van God.

Toch kijk ik anders naar zijn einde dan christenen doen. Ik geloof niet dat Jezus de Zoon van God is en ook niet dat hij aan het kruis is gestorven om de zonden van de mensheid te dragen. In de Koran wordt verteld dat Jezus niet door zijn vijanden is gedood of gekruisigd zoals zij dachten. God heeft hem tot zich verheven.

Dat betekent niet dat ik het verhaal van het lijden van Jezus onbelangrijk vind. Integendeel. Jezus werd volgens de islam geconfronteerd met mensen die zijn boodschap niet wilden aannemen. Zijn leven laat mij zien dat een profeet trouw kan blijven aan God, ook wanneer dat moeilijk en gevaarlijk wordt.

Ik vind het ook belangrijk dat Jezus in de islam verbonden is met Maria. Zij heeft een bijzondere plaats in mijn geloof. Haar vertrouwen in God en haar moed bij de geboorte van Jezus zijn voor mij voorbeelden van geloof en overgave aan God.

Als ik nadenk over de verschillen tussen christenen en moslims, zie ik vooral dat we hetzelfde verhaal op een heel andere manier begrijpen. Voor een christen is het kruis het middelpunt van Gods plan met de mensheid. Voor mij als moslim past het niet bij Gods rechtvaardigheid dat iemand de schuld en zonden van anderen zou dragen. Ieder mens is uiteindelijk verantwoordelijk voor zijn eigen daden.

Ik geloof daarom dat Jezus niet geëindigd is in een graf. God heeft hem beschermd en tot zich verheven. Tegelijk geloof ik dat Jezus aan het einde van de tijden zal terugkeren. Zijn leven heeft daarmee nog steeds betekenis voor mij.

Wanneer ik over Jezus nadenk, zie ik vooral een eerbiedwaardige profeet die mensen opriep om God te aanbidden, goed te leven en rechtvaardig te handelen. Ik hoef hem niet als God te zien om diep respect voor hem te hebben.

Video 'De barmhartige Samaritaan'

Video

Video 'De barmhartige Samaritaan'

Guido de Bruin

Klik op de tekst Video 'De barmhartige  Samaritaan' hierboven en bekijk de video. Daarin vertelt Guido de Bruin het verhaal over de barmhartige Samaritaan op een verrassende manier vanuit het perspectief van een Farizeeër. 

Het verhaal van de duif

Blog

Het verhaal van de duif

Guido de Bruin

Naar Genesis 6, 5-8, 17

Noach heeft het overleefd, met zijn gezin. De aarde is weer vol van leven, maar hij ligt dronken in zijn tent. Wat is er met hem gebeurd? Zou hij nog wel eens aan mij denken? Ik ben de duif die hij eropuit had gestuurd toen alles nog overstroomd was. Ik moest gaan kijken of de aarde alweer bewoonbaar was.

Nou, kijk maar om je heen. Zijn nakomelingen hebben zich over de aarde verspreid, overal planten en dieren in overvloed. Maar hij ligt dronken in zijn tent. Wat kan ik hem melden? Hoe kan ik tot hem doordringen?

Ik heb vaak tussen de groene bladeren van een boom naar hem zitten kijken. Ook die bewuste dag, lang geleden, toen hij kennelijk een stem had gehoord. Hij wist heel goed waar het op zou uitlopen, met al dat geweld, die angst, de honger om zich heen. Dat kon natuurlijk ook niet goed gaan.

Wat moet je doen om ervoor te zorgen dat dat alles je niet overspoelt, dat je niet meegezogen wordt in die vloed? Noach weet het wel: hij begint te bouwen. Planken, balken, spijkers, pek – het wordt een schip. Natuurlijk, zo houd je je drijvende boven de diepte, zo maak je een huis van hoop dat de woeste baren kan weerstaan.

Op een dag is het zover. De ark is klaar, en Noach en zijn vrouw, zijn zonen Sem, Cham en Jafet en zijn schoondochters gaan naar binnen, en ook de dieren, twee aan twee. Als iedereen binnen is, kijkt hij nog eenmaal rond en richt zijn blik op de boom waarin ik woon. Ziet hij mij tussen het groene gebladerte, heeft hij steeds geweten dat ik toekeek hoe hij bouwde aan een nieuwe toekomst? Hij kijkt me aan en steekt zijn arm in de lucht. Ik fladder op en strijk even later neer op zijn geopende hand. Ik ga mee.

Als we allemaal binnen zijn, sluit de deur zich zachtjes achter ons. Wie anders dan God zelf heeft die dichtgedaan? 

Het gaat regenen, veertig dagen en veertig nachten. Een watervloed die alles verzwelgt. Ook de laatste groene boomtoppen zien we uiteindelijk onder water verdwijnen. En dan alleen nog maar water, donker water zover het oog reikt.

Als het eindelijk ophoudt met regenen, dobberen we doelloos rond. Wat nu? Geduld, maant Noach. Maar in de ark begint het gemor. Hoor Sem, Cham en Jafet eens tekeergaan tegen hun vader: ‘Moeten we nu ons verdere leven hier slijten? In een krappe, stinkende ark? En wat als het eten opraakt? Wij zijn toch gered omdat we zulke goede mensen zijn? En nou laat die God van jou ons toch nog creperen?!’ En Noach maar roepen, betogen, smeken. ‘Houd vol, heb vertrouwen, er moet een toekomst zijn.’

We dobberen maar rond, en het lijkt wel een eeuwigheid te duren. Maar dan roept Noach mij, neemt me op zijn hand en opent het venster van de ark. ‘Ga jij maar kijken of er land is om te wonen,' fluistert hij tegen mij en hij laat me los. Eindelijk weer zweven op de wind, de zon op mijn vleugels. Maar hoe ver ik ook kijk, overal nog steeds alleen maar water, en ik keer terug. Een week later mag ik weer naar buiten, weer zweef ik eindeloos rond, tot ik eindelijk een paar bomen boven het water zie uitsteken. Het zijn olijfbomen, en hun bladeren beginnen uit te lopen. Ik breek met mijn snavel een takje af en vlieg zo snel als ik kan terug naar de ark. Noach kijkt tevreden.

Nog een week later laat hij mij weer gaan, en nu hoef ik niet ver te vliegen of ik zie onder mij dat het leven overal is teruggekeerd: wuivende bossen, weilanden zo groen dat ze bijna zeer doen aan mijn ogen, velden vol bloemen. Ik strijk neer in een boom aan de rand van een bos. Hier zou ik me wel kunnen nestelen. Maar met wie eigenlijk? En dan ineens valt me de doodse stilte op, overal om mij heen. Ben ik de enige levende ziel hier op aarde?

Ik moet verder, op zoek naar een ander wezen met een kloppend hart. Ik vlieg en ik vlieg, en het lijkt wel of ik de aarde rond ben gevlogen, want als ik uiteindelijk uitgeput neerstrijk in een boom, zie ik onder mij de ark, die is vastgelopen.

Iedereen komt naar buiten: Noach, zijn vrouw, zijn zonen, zijn schoondochters en alle dieren. Ik hoor een stem: ‘Ga uit over de aarde, maak haar bewoonbaar, maak samen een nieuwe toekomst. Nooit meer zal de vloed van de vernietiging, het onrecht, het geweld, de aarde verzwelgen.’ En in de wolken verschijnt een boog waarin alle kleuren schitteren. Er is weer toekomst! 

Maar algauw ligt Noach dronken in zijn tent. Gelooft hij het soms niet, dat er weer toekomst is? Ineens voel ik dat ik een nieuwe taak heb: ik ga Noach laten zien wat ik heb gezien, overal op aarde, tekenen van nieuw leven. Uit alle windstreken zal ik die verzamelen en aan Noach brengen. Dan zal hij zien dat het echt waar is: een nieuwe toekomst.

Op mijn grote reis heb ik onder mij het landschap zien veranderen. Grote groene bomen gaan achter elkaar tegen de vlakte, mensen jagen andere mensen van hun vruchtbare akkers, grazige weiden worden slagvelden vol gebulder, bloed en rook, velden vol wuivend graan worden woestijnen… Is dit nou toekomst?

Wat kan ik Noach laten zien? Kleine tekenen van hoop, meer niet, maar ik sla ze in me op: bomen die opschieten op een slagveld, een krokus tussen het beton, een stem die roept dat het anders kan, een hand op een schouder, het gezang van kinderen…

Dat zal ik hem vertellen, als hij wakker is geworden.

 Bron: Guido de Bruin, Dicht op de huid. Bijbelverhalen meemaken (Berne Media, 2020)

'Gooi het net aan stuurboord uit'

Blog

'Gooi het net aan stuurboord uit'

Inez van Oord 2 september 2026

Inez van Oord is uitgever, auteur en oprichter van o.a. Happinez, het tijdschrift dat spiritualiteit voor een breed publiek toegankelijk maakte en uitgroeide tot een succesvol merk in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Samen met haar broer, theoloog Jos van Oord, schreef zij de bestseller Rebible, een eigentijdse herlezing van de Bijbel als bron van spirituele inspiratie en wijsheid.

Inez schrijft voor Gouden Bijbelverhalen blogs waarbij ze het Bijbelverhaal onder haar scherpe loep legt en er verrassende vragen over stelt.

‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken.

Nooit zullen we weten of Jezus al die wonderen niet een beetje overdreven vond. De evangelisten die de verhalen schreven, hadden ze nodig om hem heel krachtig als een god in mensenvorm te kunnen neerzetten. Bovendien, wonderen hoorden ook bij die oude wereld. Het was goed gebruik om het geheel wat aan te dikken, wat specialer te maken, zodat de mensen zich konden verwonderen – dat was de opzet. Dat zie je in mythen, in volksvertellingen. Om iets duidelijk te maken, werd alles bijzonder gemaakt. En niemand vraagt of het kan, of het waar is; verklaringen worden in de teksten niet gegeven. Dat maakt ze wonderlijk.

Is het nu dan anders? Wij dikken in deze tijd ook van alles aan, maken het groter, geweldig, spectaculair, magisch, iconisch, super… om gewone dingen krachtiger te laten overkomen. Ik zit hier in een koffietentje en klanten zeggen ‘Super, dank je,’ als hun koffie wordt gebracht. Of zelfs twee keer: ‘Super, super, dankjewel…’ Het is maar een voorbeeld, en het heeft niets met de Bijbel te maken, maar geeft aan hoe wij nu taal gebruiken.

In dit licht vind ik het wel terecht om iets reusachtigs als een wonder voor te stellen, om het publiek te overtuigen. Dat was toen, maar nu geldt het misschien wel weer. Een bijzonder wonder hebben we soms nodig. Bijvoorbeeld dit:

Een man aan de waterkant zei tegen vissers die heel de nacht nog niets gevangen hadden: ‘Gooi je net aan stuurboord uit, dan lukt het wel.’ Ik herinner mij deze zin nog heel goed. We snapten toen meteen waar het over ging, of we dachten het te snappen: gooi je net uit aan de andere kant, doe het eens anders, gooi het over een andere boeg. Logisch. Wie weet heb je dan succes. Zoals de vissers. Ze gooiden het net aan stuurboord uit en brachten meer dan genoeg vis aan wal.

Maar nu ik bezig ben met deze verhalen, vind ik het wat te mager, deze uitleg. Te logisch. Probeer het eens anders. Ja, natuurlijk, dat is altijd goed, maar heb je daar de wijsheid van Jezus voor nodig?

Hoe zit het verhaal in elkaar? Waar zijn we in de tijd? Dit verhaal speelt zich af als Jezus er niet meer is. De leerlingen komen bijeen en denken: hoe nu verder? Onze leraar is weg. Wat moeten wij in hemelsnaam beginnen? Petrus zegt: ‘Ik ga vissen. Ik pak m’n oude werk weer op, ik ga verder.’ De anderen vinden het een goed idee en gaan mee. Ze gaan de hele nacht vissen. En ze vangen niets. Het leven is geploeter, het levert niks op. Waar leven we voor? Wat komt er terecht van onze plannen? De netten zijn leeg!

Toen het morgen werd stond er een man aan de oever. Precies op de plek tussen land en water, in Bijbeltaal: tussen leven en dood, in het schemergebied. Daar stond iemand. Jezus is op dat moment al een paar dagen dood. Niemand durft de vraag te stellen: Wie ben je? Ze aarzelen.

Hij zegt: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ 

Nee, antwoorden ze hem, ze hebben niets gevangen.

Dan zegt hij: ‘Gooi het net aan stuurboord uit.’ 

Ze beginnen te twijfelen en denken: is het onze Heer? Ze gaan in op het advies, ook al is dat tegendraads voor vissers die weten dat de nacht meer vis levert dan de morgen. Maar ze doen het en de netten raken overvol. Eenmaal terug aan wal tellen ze 153 vissen, dat staat er echt.

Dat getal vertelt ook weer een verhaal. Het is een optelsom, vind ik in oude geschriften. Ik zit met de IPhone-calculator in de hand en moet 1 tot en met 17 bij elkaar optellen. Dus 1+2+3+4 tot en met 17; het totaal is: 153. 

Bijzonder. Maar waarom? Daar gaat het uiteindelijk om: de getalswaarde van de naam Jahweh, in het Hebreeuws JHWH is 1+0+5+6+5 = 17. En de getalswaarde van 'de zonen Gods' is ook 153. Het begrip 'zoon' betekent 'erfgenaam'. Je zou het zo kunnen uitleggen dat die vangst, symbolisch, de erfenis van het goddelijke is. En niet alleen Jezus als zoon is erfgenaam, maar wij allemaal natuurlijk, wij als kinderen en kleinkinderen. Wij zijn de erfgenamen.

Een verhaal verborgen in het getal 153. Toch mooi om te weten en om even over na te denken. Voel ik me een erfgenaam?

De mooiste zin in dit verhaal vind ik: ‘Gooi het net aan stuurboord uit.’ Oftewel, probeer de rechterkant in plaats van de linkerkant. Mijn broer Jos legt ’t uit: ‘Wie aan de rechterkant van een hogergeplaatste zit, deelt in zijn of haar eer. Een oude tekst zegt: Gods rechterhand doet grote dingen. De rechterkant staat in de Bijbel voor voorspoed, voor meer geluk. Misschien zegt Jezus op deze manier: Het leven is niet bedoeld om lege netten op te halen. Je bent bestemd voor geluk, voor welzijn.’

We vullen het weer mooi in, zoals het hoort als het over de Bijbel gaat. Het enige wat we hebben is die ene zin: 'Werp het net uit aan de rechterkant.' Wat je vaak hoort is dat de rechterkant van de hersenen geassocieerd wordt met de vrouwelijke kant, de gevoelskant, terwijl de linkerhersenhelft het domein is van de rede. En rechts is vaak de beste plek als je een tafelindeling maakt, de beste plek naast de hoofdgast, naast de koning, en dus ook naast God (gesteld dat je naast ‘hem’ kunt zitten).

Zou dat nog een mooie uitleg kunnen zijn? ‘Denk’ met rechts, met je gevoel, alsof het goddelijke zo dichtbij is dat het als het ware meedoet in al je handelingen, in al je zinnen, in al je uitingen. In het Grieks zeg je dan En Theos, wij zeggen Enthousiasme. Gooi je netten uit is dan hetzelfde als volg je enthousiasme. En bezieling zul je vangen.

Wonderverhalen en kinderen

Blog

Wonderverhalen en kinderen

Erik Renkema

Moet je jonge kinderen wel wonderverhalen vertellen?

Dr. Erik Renkema is onderwijstheoloog en als adviseur identiteit werkzaam voor Verus. Voorheen was hij docent en onderzoeker in het hoger beroepsonderwijs. In zijn werk en zijn verhalen neemt hij ook zijn ervaringen als leerkracht en kerkelijk werker mee. Eerder droeg hij bij aan verhalenbundels voor kinderen over allerlei levensthema’s en schreef hij het prentenboek ‘De Speelboom’ en de jeugdroman ‘Stroomhoofd’.

Voor 'Gouden Bijbelverhalen' schrijft Erik bij elk van de prentenboeken een bijdrage over de kracht van deze verhalen voor o.a. het onderwijs.

Natuurlijk kan er in onze serie geen wonderverhaal ontbreken. De Bijbel kent er vele. De meest bekende wonderen lezen we waarschijnlijk wel in de evangeliën, de vier boeken over het leven van Jezus. Het verhaal uit Lucas 5 is misschien niet het meest bekende wonderverhaal, maar is wel een prachtig voorbeeld om stil te staan bij het gebruik met kinderen. Wat kun je met een verhaal als dit als je het vertelt aan kinderen? 

Drie punten stippen we aan.

In de eerste plaats is daar de oproep van Jezus: ‘Wees niet bang, voortaan zul je mensen vangen’ (NBV21). Deze roeping van Petrus, Jakobus en Johannes gaat gepaard met een wonderbaarlijke visvangst. De evangelist Lucas is de enige die dit verhaal in combinatie met die roeping en dus aan het begin van het evangelie vertelt. Alleen de evangelist Johannes plaatst een vergelijkbaar verhaal aan het eind van zijn evangelie, na Pasen (zie voor meer exegese van Lucas 5: Context en aantekeningen bij Lucas 5:1-11 - Bijbel online). 

Je zou zwaar kunnen tillen aan een negatieve associatie bij het woord ‘vangen’. Vangen als een soort zieltjes winnen, bekeringsdrift. Maar daar is dit verhaal niet op gericht. Sommigen zeggen dat je dit ook vriendelijker kunt vertalen, als een soort ‘opvangen van mensen’. Maar het gaat Lucas vooral om de verandering van levensbestemming die de vissers Petrus, Jakobus en Johannes ervaren. De ontmoeting met Jezus keert hun leven om. Dan is het woord ‘voortaan’ in deze zin juist cruciaal.

Ten tweede: het is van belang naar betekenissen achter het wonderverhaal te kijken. Dat geldt voor alle Bijbelse wonderverhalen en dus ook voor dit. Zo sprak de Duitse theoloog Rudolf Bultmann (1884-1976) over het ‘ontmythologiseren’ van de verhalen. Dit betekent voor hem dat de verhalen niet als historische weergaven van de werkelijkheid gezien moeten worden, maar juist existentieel geïnterpreteerd moeten worden. Het zijn verhalen die iets te vertellen hebben over het menselijk bestaan van alle tijden. Op die manier komen we (in dit verhaal) op de symboliek van het vissen, van het water. Het zijn metaforen die iets zeggen over het leven van ieder mens. 

Dit vraagt in de eerste plaats over een perspectief: de verhalen niet (louter) te lezen als historische verslagen, maar als menselijke ervaringen waar we ons ook 2000 jaar later mee kunnen identificeren. Maar het vraagt ook om hermeneutische vaardigheden: om gevoeligheid voor de symboliek in deze verhalen en het kunnen vertalen van metaforen naar onze tijd, samenleving en levens.

Er is in hermeneutische zin (hermeneutiek gaat over hoe we oude Bijbelteksten begrijpen en wat ze vandaag voor ons betekenen) meer uit dit verhaal te halen, maar je zou kunnen denken aan een woord als genade. Dit kun je opvatten als een soort vergevend ingrijpen van God als je iets ‘fout’ hebt gedaan. Maar juist bij het verhaal uit Lucas 5 kun je er breder naar kijken. Genade in dit verhaal, genade in de ogen van God, gaat om het zien van mensen voorbij het aantal vissen dat je vangt, voorbij de prestaties die je levert. Het kan zo een symboolverhaal zijn over de ontspanning die je kan hebben als jouw netten niet vol zitten met hoogstaande prestaties, voorbeeldige cijfers, ontelbare likes. Je leven is niet afhankelijk van je eigen verdiensten. Soms word je ook iets geschonken, komt je iets toe. Dan kun je misschien over genade spreken.

Ten derde: het is maar de vraag of je heel jonge kinderen wonderverhalen als dit moet vertellen. Natuurlijk kunnen jonge kinderen zich iets voorstellen bij vissen en keuzes maken. Het is in elk geval aan te bevelen om de hermeneutische benadering van hierboven met kinderen van 8 jaar en ouder in praktijk te brengen. Dan kun je stilstaan bij de symbolische vertaling naar het eigen leven. In de godsdienstpedagogiek noemen we dat ‘wederkerige ontsluiting’. Het pabo-boek ‘Verwonderen & Ontdekken noemt dit ‘de koppeling tussen de dimensie van het actuele bestaan en de dimensie van de Bijbelse traditie’ (blz. 99). Bijbel en leven van nu worden op elkaar betrokken. Hiermee staan we in de ontmythologiserende lijn van Bultmann. Dan is het de taak van de opvoeder om zulke verkennende vragen te stellen dat het kind zowel de kenmerken van het verhaal leert begrijpen als nadenkt over het eigen leven en de wereld. Zo gaat het verhaal leven.

Niet meer dan één kleine stap...

Blog

Niet meer dan één kleine stap...

Benedikte Bos 8 september

Benedikte Bos is in 1986 theologie gaan studeren aan de VU in Amsterdam. Ze was achtereenvolgens predikant in Oudemirdum, Bilthoven en Ouderkerk aan de Amstel. Sinds 2024 is ze voorganger in de Protestantse Gemeente Laren-Eemnes. Benedikte denkt graag na over de actuele zeggingskracht van Bijbelverhalen. 

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft Benedikte bij elk van de prentenboeken een bijdrage op het snijvlak van het oude verhaal en onze huidige samenleving. Dat doet ze in beeldende, heldere taal waarin ze ook duidelijk laat zien waar zij voor staat. Lees en ontdek dat!

Stel je voor: je staat op een kruispunt. Letterlijk. Vóór je ligt een fietspad dat naar het centrum gaat. Rechts loopt een weg naar het station. En links is het wandelpad naar je huis. Je telefoon trilt, je kijkt. Hé, een bericht van je vrienden: ‘Kom je? We gaan straks naar de stad.’ Een ander bericht komt van thuis: ‘Vergeet je niet dat je vanavond zou koken?’ En tegelijkertijd denk je: ‘Ik zou toch eigenlijk gaan sporten?’ Je moet een keuze maken. Maar het liefst zou je overal tegelijk willen zijn. FOMO.

Zoiets moet het ook geweest zijn voor de eerste leerlingen van Jezus. Zij hadden geen telefoon, geen appjes en geen agenda vol afspraken. Maar ook zij hadden hun leven. Simon en Andreas waren vissers. Ze wisten wat ze deden. Ze hadden vaste dagen dat ze met hun boot uitvoeren, soms moesten onverwacht de netten gerepareerd worden, maar altijd: de vis verkopen op vrijdag, marktdag. Een gewoon leven, zoals zovelen van ons, met veel vaste dingen en af en toe verrassingen in je agenda.

Tot Jezus langskomt. Zo’n onverwachte ontmoeting. Hij zegt niet: ‘Ik heb een mooi plan voor jullie. Hier is een folder. Lees hem rustig door en laat volgende week weten of je meedoet’. Nee, hij zegt eenvoudig: ‘Kom, volg mij.’

Dat is nogal wat. Want volgen betekent dat je iets achterlaat. Je weet niet precies waar je uitkomt. Je kunt niet eerst alle risico’s afwegen. Je moet ergens op vertrouwen. Misschien herkennen we dat. Ook wij staan regelmatig op kruispunten. Ga ik die opleiding doen of toch iets anders? Blijf ik in deze baan of zoek ik iets nieuws? Zeg ik eindelijk wat ik werkelijk vind? Blijf ik altijd doen wat anderen van mij verwachten, of durf ik te luisteren naar wat er diep vanbinnen leeft? ‘Je hart volgen’ klinkt mooi. Je hoort ’t mensen ook welgemeend zeggen. Maar je hart kan ook twijfelen. Soms weet je gewoon helemaal niet wat de goede keuze is.

De eerste leerlingen wisten dat waarschijnlijk ook niet. Ze hadden geen zekerheid dat het goed zou komen. Ze hadden alleen een stem gehoord die hen uitnodigde om mee te gaan. Misschien is dat wel wat geloven betekent: niet dat je altijd precies weet welke weg je moet kiezen, maar dat je leert luisteren naar een stem die je roept. Een stem die zegt: ‘Kom. Ga mee. Er is meer dan je nu kunt zien.’

En soms begint een nieuw leven met niet meer dan één kleine stap. Een stap in de richting waarvan je hart zegt: ‘Kom, volg mij.’

Diep water heeft zo zijn risico

Blog

Diep water heeft zo zijn risico

Piet van Midden 22 september

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Er komt iemand binnen, maar soms komt niemand binnen als er iemand binnenkomt. Als je nu al bent afgehaakt of van plan bent dat te doen, het lijkt allemaal abacadabra, maar het heeft alles te maken met de uitstraling van een mens. Een mens neemt wat mee en deelt daarvan uit. Maar vaak valt er niets te geven, omdat er niets is. Dan regeert de leegte. En soms heeft een mens een heleboel liefde en wijsheid op voorraad. 

Bij een ontmoeting in Kafarnaüm aan het meer van Gennesaret spreekt Jezus boekdelen vanaf een vissersbootje. De Thora komt tot leven, als hij aan haar adem en alles geeft. Er is brood, maar waar is de vis? Hij geeft aanwijzingen naar diep water te gaan. 

Zinloos en gevaarlijk, denken de vissers, je zoekt de problemen op. Maar Simon doet het en haalt de vangst van zijn leven binnen. Twee boten vol. En Simon, hij geeft zich gewonnen, valt op zijn knieën hij zegt: ‘Heer, ga weg van mij, want ik ben een zondig mens. Ik ben iemand van een heel andere orde. Vergeleken met u ben ik niemand.’ Het hoge woord is eruit. Simon Petrus’ wereld is ingestort. En dat van Jakobus en Johannes net zo. Ze moeten een nieuwe start maken. 

‘Wees niet bang, vanaf nu zul je mensen vangen,’ klinkt het als troost. Maar veel Bijbellezers wagen zich er niet aan. ‘Mensen vangen’ is negatief, een vorm van jagen maar dan op mensen. Je kunt de tekst onmogelijk bemoedigend laden en lezen, tenzij je het waagt de Bijbel in zijn grondtekst te lezen. In de Griekse tekst staat niet zomaar ‘vangen’ maar zoogreoo, ‘levend vangen.’ Of beter, Simon, Jakobus en Johannes  blijven vissers, ‘maar dan anders,’ alles wordt omgezet. Ze laten boten, netten en familie achter zich. Enig idee hoe sterk de familiebanden waren? De familie laat jou niet in de steek. En omgekeerd ook niet: je moet je vader en moeder zelfs eren volgens de Thora. Jezus volgen is een radicaal besluit.

Ik denk met genoegen en genegenheid  aan die eindeloze rij gelovigen die ‘belijdenis deden’. ‘Je gaat Jezus volgen,’ zei de predikant of de priester veelbelovend. Maar ging hun leven er anders uit zien? Het is heel gemakkelijk om daarover schamper te doen. En het zet meer zoden aan de dijk als je denkt aan die miljoenen die de daad bij het woord gevoegd hebben en de zorg van zovelen op zich namen. 

Onze wereld verandert in een hoog tempo. Alleen de hoogstnoodzakelijke zorg wordt straks nog door de overheid geboden. Voor alle andere zorg wordt in de toekomst een beroep gedaan op de familie, kerk, stichtingen en andere particuliere organisaties. Die moeten het met elkaar zien te rooien en dat brengt ons weer terug bij de man die in een vissersboot aan het Meer van Galilea stond en iedereen verraste met de woorden: ‘Zoek diep water op en zet je netten uit om te vissen.’ Diep water, het heeft zo zijn risico. 

Het tegenovergestelde van pesten

Blog

Het tegenovergestelde van pesten

Benedikte Bos 3 september

Benedikte Bos is in 1986 theologie gaan studeren aan de VU in Amsterdam. Ze was achtereenvolgens predikant in Oudemirdum, Bilthoven en Ouderkerk aan de Amstel. Sinds 2024 is ze voorganger in de Protestantse Gemeente Laren-Eemnes. Benedikte denkt graag na over de actuele zeggingskracht van Bijbelverhalen. 

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft Benedikte bij elk van de prentenboeken een bijdrage op het snijvlak van het oude verhaal en onze huidige samenleving. Dat doet ze in beeldende, heldere taal waarin ze ook duidelijk laat zien waar zij voor staat. Lees en ontdek dat!

Jozef was anders en daardoor viel hij op. Misschien was het door zijn bijzondere dromen. Misschien door zijn bijzondere jas. En dat is soms genoeg.

Op school kan één kind ineens het mikpunt worden. Omdat hij anders praat. Omdat zij andere kleren draagt. Omdat iemand verlegen is, te enthousiast, te slim, te stil of juist te aanwezig. Eén opmerking wordt een grap. Een grap wordt een bijnaam. Een bijnaam wordt een groepje dat besluit: jij hoort er niet bij.

Wie buitengesloten wordt, merkt hoe groot en machtig een groep kan zijn. En hoe klein en onmachtig je zelf kunt worden. 

Het verhaal van Jozef is daarom opvallend actueel. Want pesten gebeurt allang niet meer alleen op school. Het zit in appgroepen, filmpjes, foto's en berichten die zich razendsnel verspreiden. Je kunt iemand buitensluiten zonder dat je hem of haar zelfs maar kent. En soms doen mensen mee met dat uitsluiten van anderen zonder dat ze zelf weten waarom. Omdat iedereen lacht. Omdat je zelf bang bent om anders te zijn dan de rest. Omdat het gemakkelijker is om iemand uit te sluiten dan om voor hem of haar op te komen.

Jozef had dromen waarin hij vooruitkeek en geloofde dat zijn leven betekenis had. Maar de mensen om hem heen konden die dromen niet verdragen. Iets met het ‘hoofd boven het maaiveld’?! Iets met ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg?’

Misschien is dat wel een van de pijnlijke kanten van pesten: iemand wordt niet alleen afgewezen om wie hij is, maar soms ook om wat hij of zij zou kunnen worden. 

Daarom begint tegengas geven tegen pesten vaak met een klein gebaar. Het kan beginnen met naast iemand gaan zitten. Met zeggen: ‘Kom maar bij ons.’ Met niet meedoen als de rest iemand belachelijk maakt. Met de moed om te zeggen: ‘Dit is niet grappig.’

En wellicht begint het ook met iets anders: leren kijken naar wat iemand wél meebrengt.

Want Jozef was niet alleen die jongen met die bijzondere dromen. Hij was iemand met verbeelding, talent en toekomstvisie. Elk mens heeft een eigen uniciteit. Ook degene die buiten de groep staat.

Zou dat de vraag kunnen zijn die het verhaal van Jozef ons vandaag stelt: ‘Wie kunnen wij binnenlaten?’ Want een gemeenschap wordt niet sterker doordat iedereen hetzelfde is. Een gemeenschap wordt sterker wanneer er ruimte is voor mensen die anders zijn. Wanneer er aandacht is voor hun dromen. Voor hun verhalen. Voor hun aanwezigheid.

Dat is het tegenovergestelde van pesten: niet de draak steken met het ‘anders’ zijn van iemand, maar tegen de ander zeggen: ‘Fijn dat juist jij er bent.’

Drie keer een andere kijk

Blog

Drie keer een andere kijk

De stem van een taöist

Als taoïst zoek ik naar harmonie: in mijzelf, tussen mensen en in de natuur. Daarom vraag ik bij dit verhaal niet als eerste: ‘Welke ziekte heeft deze man?’ Ik vraag: ‘Waar en hoe is zijn evenwicht verloren gegaan?’

Voor mij zijn lichaam en geest niet volledig van elkaar gescheiden. Gedachten, gevoelens, ademhaling en lichamelijke kracht beïnvloeden elkaar. Ik spreek daarbij over qi, de levenskracht die door alles heen stroomt, en over shen, de geest of het bewustzijn. Wanneer deze krachten ernstig ontregeld raken, kan iemand zijn rust, helderheid en verbondenheid verliezen.

Zo kijk ik naar de man uit Lucas 8. Zijn hele bestaan is uit balans. Hij leeft niet meer tussen de mensen, maar tussen de graven. Hij beschadigt zichzelf en anderen proberen hem met ketenen te beheersen. Hoe harder zij hem dwingen, hoe wilder hij wordt. Dat roept bij mij een vraag op: kun je iemand die innerlijk ontregeld is met dwang werkelijk helpen?

Binnen sommige taoïstische tradities gelooft men in geesten die mensen kunnen beïnvloeden. Ik kan het verhaal dus geestelijk verstaan. Tegelijk kan ik denken aan een psychose, trauma of andere psychische ontregeling. Die mogelijkheden hoeven elkaar niet onmiddellijk uit te sluiten, maar goede medische hulp blijft belangrijk.

Wat mij vooral opvalt, is dat Jezus onderscheid maakt tussen de man en wat hem beheerst. Daarna zit de man rustig en gekleed bij hem. De versnippering heeft plaatsgemaakt voor samenhang. Maar is het evenwicht werkelijk hersteld? De geesten trekken in de varkens en de kudde stort in het meer. Kan onrust verdwijnen of verplaatst zij zich soms? En waarom raakt de omgeving juist ontregeld wanneer deze ene mens weer tot rust komt?

De stem van een katholiek

Als katholiek lees ik dit verhaal als een ontmoeting tussen Jezus en kwade geestelijke machten. De man lijkt zichzelf niet meer te bezitten. Hij woont tussen de graven, draagt geen kleren en wordt door anderen vastgebonden. Wanneer Jezus vraagt hoe hij heet, antwoordt hij: ‘Legioen.’ Het lijkt alsof er veel stemmen of krachten tegelijk in hem spreken.

Maar ik vraag mij ook af hoe wij deze man tegenwoordig zouden begrijpen. Heeft hij misschien een psychose? Hoort hij stemmen die voor hem volkomen echt zijn? De katholieke kerk sluit het bestaan van demonische beïnvloeding niet uit. Tegelijk leert mijn kerk mij voorzichtig te zijn. Iemand die stemmen hoort, is niet automatisch bezeten. Psychische klachten vragen om zorgvuldig onderzoek en professionele hulp.

Misschien hoef ik niet meteen te kiezen tussen demonen en een psychische aandoening. Het verhaal gebruikt de taal en beelden van zijn tijd. Daarmee vertelt het mij dat deze man de macht over zijn leven is kwijtgeraakt. Iets houdt hem gevangen en verwijdert hem van andere mensen.

Jezus ziet geen gevaarlijk geval, maar een mens die bevrijding nodig heeft. Na hun ontmoeting zit de man gekleed en rustig bij Jezus. Zijn waardigheid is hersteld.

Toch blijven er voor mij vragen. Wat is er precies uit hem verdwenen? Een demon, een psychose, een diepe angst – of iets waarvoor wij geen naam hebben? En waarom worden de omstanders bang wanneer deze buitengesloten man weer zichzelf wordt?

De stem van een soefi

Als soefi zoek ik naar een diepe en liefdevolle verbondenheid met God. Daarbij let ik niet alleen op wat iemand doet, maar ook op wat er in zijn hart en innerlijk gebeurt.

Het verhaal uit Lucas behoort niet tot mijn eigen heilige geschriften. Toch herken ik Jezus – in de islam Isa genoemd – als een belangrijke profeet en boodschapper van God. In zijn aandacht voor deze verlaten man herken ik Gods mededogen.

De naam ‘Legioen’ raakt mij. Ik zie een mens die innerlijk uit elkaar is gevallen. Er is niet meer één duidelijke stem of één vrij ‘ik’. Angst, woede, pijn en vreemde stemmen trekken hem verschillende kanten op. Sommige moslims denken hierbij aan djinn: onzichtbare wezens die mensen kunnen beïnvloeden. Zelf vraag ik mij ook af of deze man een psychose of een diep trauma kan hebben. Gebed en professionele psychische hulp hoeven voor mij geen tegenstanders te zijn.

In mijn traditie wordt gesproken over influisteringen die het hart onrustig maken. Daartegenover staat dhikr: het aandachtig gedenken van God. Door gebed, stilte en het herhalen van Gods namen kan het innerlijk tot rust komen. Maar ik zou nooit willen zeggen dat iemand met ernstige psychische klachten alleen maar meer moet bidden.

Ik lees dit verhaal daarom als een beweging van verdeeldheid naar eenheid. De man wordt niet langer door talloze krachten uiteengerukt. Hij kan weer luisteren, spreken en bij andere mensen zijn.

Toch vraag ik mij af: is innerlijke rust voldoende? Of is iemand pas werkelijk genezen wanneer andere mensen hem weer opnemen? En luisteren wij naar iemand die stemmen hoort, of praten we vooral óver hem?

Kun je tegen een beetje seks? Be my guest!

Blog

Kun je tegen een beetje seks? Be my guest!

Piet van Midden

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Veel strips weten ervan: de held die alles oplost, of eerst problemen schept en dan aan de slag gaat. We vinden Obelix, Jerome, Popeye en anderen als onverslaanbare striphelden terug. Heeft de Bijbel niet ook een of andere hero, bijvoorbeeld Simson? Daar lijkt het op, maar dat ‘lijkt’ staat er niet voor niets. 

Simson. Hij wordt in de Bijbel een ‘rechter’ of ‘richter’ genoemd, maar denk nou niet aan een ernstige bestuurder in een zwarte toga. Vechten en vrouwen, dat zijn de hobbies van Simson. Dus als je het niet erg vindt dat er klappen vallen, en als je wel tegen een beetje seks kunt, be my guest. 

Het zal er hard aan toe gaan. Zijn ouders bleven lang kinderloos, en dat is meteen de grote pijn in de Bijbel: als je kinderloos blijft, heeft God kennelijk geen boodschap aan je. Maar een engel haalt hen uit hun boze droom: ze zullen een zoon krijgen! Hoe blij ben je dan! Dat kind koester je. Het is the chosen, ‘de uitverkorene’ van God. 

Simson ziet een Filistijns meisje en wil meteen met haar trouwen. Protest van zijn ouders, tranen, het helpt allemaal niet: Ze hoort bij de vijand. En dan gaat het goed mis. Hij drukt zijn zin door, organiseert een huwelijksfeest. Onmogelijk is dat. Filistijnen en Israëlieten hebben niets met elkaar, en zeker niet de liefde. 

Het Bijbelboek Rechters biedt een bron van verhalen die je niet in de Bijbel verwacht, une mer à boire, een zee om leeg te drinken, onbegonnen werk. Een paar voorbeelden van geweld: hij verscheurt een leeuw (dus niet andersom), hij slaat dertig mannen uit Askelon dood om hun (dure) kleren; hij jaagt driehonderd vossen met brandende fakkels aan hun staarten door het staande koren; hij bezoekt een hoer in Gaza (hij staat met een geitenbokje voor de deur; dat bokje is de vaststaande prijs voor een seksbezoek, zie ook Lucas 15: 29, een schijntje dus). 

Na de tweede vrouw valt hij voor Delila, een dure sekswerker – het woord hoer valt niet – gespecialiseerd in bondage. Simson is de ongebonden man die gebonden moet worden. Maar hoe? Met zeven verse pezen? Met nieuwe touwen? Met zeven haarvlechten? Het zijn drie stappen. Je komt steeds dichterbij het geheim. Maar de grote held valt niet op een uitdagende bondage. Hij is gebonden aan de gelofte die zijn ouders bij zijn geboorte deden: ‘Geen scheermes zal op je hoofd komen.’ 

Delila is er druk mee. Met elk verlies van een haarvlecht neemt Simsons kracht af, tot hij weerloos in de armen van Delila ligt. Er wordt betaald, een smak geld: vijf keer elfhonderd zilverstukken. Delila hoeft niet meer aan het werk. Ze verdwijnt uit het verhaal. 

De Filistijnen halen Simson op, binden hem en laten hem rondjes draaien in de gevangenis. De verslagen held wordt aan het volk getoond, dat juicht: 'Ónze god gaf ónze vijand in ónze macht, de verwoester van óns land, die velen van óns gedood heeft.’ 

Het tekent de afgang, het gemis van een échte richter die de Filistijnen op afstand zet. Wie dat kan? Dat is er maar één: David, de koning.

Een naaste hebben of zijn...

Blog

Een naaste hebben of zijn...

Piet van Midden 8 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Ken je woorden als slay (geweldig), mid (saai), rizz (goed in het versieren)? En tientallen daarna. Weet je wat ze gemeenschappelijk hebben? Dat ze er over een paar jaar niet meer zijn. Het zijn straks vergeetwoorden. Maar woorden als barmhartig en ontferming gaan al eeuwen mee. Ze nemen je voor zich in. 

Ken je het verhaal dat Jezus vertelde over ontferming? Tranentrekkend mooi. Je moet straks kiezen tussen drie personen: een priester, een leviet of een Samaritaan. 

Een priester daalt af van Jeruzalem naar Jericho, het diepste gat van de aarde. Dieper kan een mens niet zinken. Maar afdalen is wat anders dan naar beneden gaan. Het is afgaan. Wie gaat er nou uit Jeruzalem weg? Dat doe je toch niet! Deze priester doet het wel en dat zal hij zich lang herinneren, want er ligt een man op de weg, gepakt door boeven, uitgeschud en afgetuigd. Half dood, of half levend. Dat moet je met eigen ogen zien. Maar nu hebben we een probleem: een priester mag geen lijfcontact hebben met een dode. Zo staat dat in de wet. Hij moet afstand houden. Hij wikt en weegt en gaat aan de overkant, op een veilige afstand, voorbij. 

En ‘aan de overkant’ is ook al geen makkelijk klusje. De ‘weg’ is een wadi, een natuurlijke breuk in het landschap, een beek die droogvalt in de zomer. Je breekt er je nek als je niet goed oplet. De priester heeft er een klimpartij voor over om trouw te blijven aan de wet. Of beter: trouw te bliijven aan zijn opvatting van de wet.

Dan komt een leviet, een priesterhulp voorbij. Ook hij ziet het slachtoffer liggen en heeft dezelfde afwegingen als de priester, zij het minder streng. Maar ook hij gaat aan de overkant voorbij. 

Dan passeert een Samaritaan. Dat is geen slechterik, geen man met een koud hart, wie het niets kan schelen of het slachtoffer blijft leven of doodgaat. Hij werd met ontferming bewogen. Het deed hem wat dat die onbekende man daar lag. Hij kon gewoon niet niet zijn reis onderbreken. Hij verbond de wonden van het slachtoffer. Hij deed meer dan van hem gevraagd werd. Hij zette hem op zijn ezel, bracht hem naar een herberg, betaalde zelfs vooruit. Hij  beloofde terug te komen. 

Dat is ontferming. Dat komt diep uit je hart. De vraag is niet ‘Wie is de goede en wie de slechte.’ De priester en de leviet hebben hun best gedaan zich aan de wet te houden. Maar dat pakt in dit geval voor het slachtoffer verkeerd uit en dat mag gewoon niet. De noodzakelijke hulp aan de naaste gaat voor. Het is dus niet het bekende verhaalje: ‘De dominee kwam voorbij en liet hem liggen, de ouderling kwam voorbij en ging met een grote boog om hem heen. Toen kwam de buitenkerkelijke buurman langs en die bood alle zorg.’ 

In Jezus’ verhaal is niet de vraag of je een naaste hebt maar of je een naaste bént. Dat zou slay zijn. Ken je dat woord nog of ben je het al vergeten?

En het werd avond, een nieuwe dag...

Blog

En het werd avond, een nieuwe dag...

Piet van Midden 12 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Ik weet nog hoe het was. We liepen door de velden, daar in het hoge noorden. De bergen sloten ons in en omarmden ons. Soms hield hij stil en zei hij: ‘Heb je hem gehoord die vogel, het is een hop? Die vraagt om aandacht. Maar als je nooit luistert, hoor je ook nooit wat.’ Zo wandelden wij verder. De vogels gingen zingend met ons mee. Ze broedden hun plannen uit en zochten de hemel op. 

‘We gaan naar Jeruzalem,’ zei Jezus. De vogels hielden op te fluiten. ‘Jeruzalem? Dat kunt u niet maken. Daar wonen uw vijanden,’ gonsde het in de groep leerlingen. En wij, wat gebeurt er met ons, als ze u oppakken, pakken ze dan ook ons op?’ 

Soms zijn woorden wapens, zelfs zo dat Jezus een van ons een satan noemde. Ze gingen, er was geen ontkomen aan. De vriendenkring was uit elkaar gespat en het verraad lag op de loer. Maar ze zouden het jaarlijkse pèsachfeest nog eten bij vrienden uit de buurt en daarna wisten ze het niet meer. Zo kwamen ze in Getsemane. 

Jezus zei dat hij behoefte voelde om te bidden, om contact te hebben met zijn vader. Hij zocht rust, maar toen hij terugkwam, vond hij zijn leerlingen in slaap. Alles was hem uit handen geslagen. Hij hoorde lawaai in de verte, Hij zag bekende gezichten, vrienden van vroeger en zomaar vijanden van nu. Op de vlucht geslagen leerlingen. De vogels lieten niet meer van zich horen.

Ze hebben hem voor het gerecht gedaagd, maar van gerechtigheid is het niet gekomen. De hogepriester wist vooraf wat het oordeel zou zijn: schuldig aan de dood. De vrouw van de hogepriester sliep er niet van en waarschuwde vergeefs haar man zich niet met de kwestie te bemoeien. Kajafas speelde nog met wat schijnrecht. Hij liet het volk kiezen: ‘Je komt een moordenaar tegen, bijvoorbeeld Barabbas of je komt Jezus tegen, wie van de twee mag van jou worden vrijgelaten, vertel op, wie!’ 'Barabbas! Barabbas!' riepen ze allemaal. 

Het was het moment van de grote woorden, van beschuldiging van godslastering, liegen, vals getuigenis, vervloeken, verbergen van je identiteit. Petrus werd erop aangesproken: ‘Jij was ook bij Jezus, die man uit Galilea. Je kunt het aan je dialect wel horen.’ Maar Petrus loog dat hij niet wist wie Jezus was. Hij wist ook niet wie hijzelf was. 

De soldaten namen Jezus mee. Ze maakten hem belachelijk. Ze trokken hem de kleren van het lijf en deden hem een rood kleed om. Ze vlochten van doorntakken een kroon en drukten die op zijn hoofd. Ze gaven hem een riet in de hand, ze lachten hem uit: ‘De groeten van ons allemaal’ riepen zij. Ze brachten hem naar Golgota, de executieplek net buiten de stadspoort. Daar kruisigden zij hem. Er waren nog twee slachtoffers die de avond niet zouden halen, misdadigers. Het spotten ging gewoon door. ‘Anderen heb je gered, jezelf kun je zeker niet redden. Je geeft je uit voor koning. Laat dan eens zien dat je wat voorstelt!’ 

Het werd stil op Golgota en donker. Om drie uur doorbrak Jezus de stilte. Hij schreeuwde het uit, een Psalm: ‘Mijn God, mijn God waarom verlaat u mij?’ Het leek of de aarde schudde, of zij meeleed met deze mens. Hij riep nog woorden die niemand meer kon opvangen. En hij boog het hoofd en gaf de geest.

En de vogels, ze waren verbijsterd en wachtten met zingen. Het werd avond, een nieuwe dag. De zevende dag.

Je zult zo'n vader hebben

Blog

Je zult zo'n vader hebben

Piet van Midden 21 september

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Je zult een vader hebben met allerlei frustraties. Die jarenlang, dag in, dag uit treurt om zijn verliezen. Die zijn lievelingsvrouw Rachel verliest bij een bevalling en sindsdien nooit meer vrolijk kan zijn. 

Je zult een broer hebben die verwend wordt, niet omdat hij zo’n talent is, maar alleen omdat hij de zoon is van een lievelingsvrouw; en dat laat merken ook. Lieveling… ik kan het woord niet meer horen. Ik wens je sterkte als je verder leest. Je bent begonnen aan het langste levensverhaal uit de Bijbel: een thriller die er wezen mag. Jozef heet de hoofdpersoon, een van Jakobs twaalf nazaten. 

Als het verhaal begint is hij nog maar zeventien jaar. Vader Jakob is bezorgd over zijn zonen die zo’n tachtig kilometer verderop de schapen hoeden en hij stuurt Jozef om poolshoogte te nemen. Dom, dom. Jakob weet immers dat zijn broers een bloedhekel hebben aan het parmantige lievelingsbroertje. Die heeft de wonderlijkste dromen, waarin hij steeds koning is. Houd het dan maar eens met iemand vol. 

Als Jozef in vol ornaat op het toneel verschijnt, in een peperdure jas, betekent dat zijn dood. De broers grijpen hem, rukken hem de koninklijke mantel van het lijf en gooien hem in een droge put. En de mantel, die smeren ze in met bloed en laten die bij Jakob bezorgen, om vader Jakob op het verkeerde been te zetten. ‘Dit is toch niet Jozefs jas, vader?

Nu wacht Jozef de dood, of nee: een karavaan komt langs, haalt hem uit de put omhoog en verkoopt hem dóór aan handelaars die op weg zijn naar Egypte. Zo belandt de Hebreeuwse jongen als slaaf in het huis van een commandant van de farao, Potifar. Jozef is daar dichtbij de farao!

Mooi verhaal, nietwaar? Maar we zijn nog niet eens op de helft. Jozef is een slaaf, maar wel een bijzondere. Potifar is de baas van de gevangenis en hij merkt al gauw dat Jozef niet een gewone gevangene is. Hij lijkt wel onderdeel van de familie. Mevrouw Potifar vindt dat kennelijk ook, want als Jozef bij haar komt, probeert ze Jozef bij zich in bed te krijgen. Elke keer opnieuw, tot ze hem een keer vastgrijpt aan zijn mantel. Jozef rukt zich los en laat het pronkgewaad achter. 

We vinden Jozef nu in de gevangenis terug. Hem wacht stellig executie, maar ook hier spelen dromen een bijzondere rol. Twee hoge ambtenaren, de hof-schenker en -bakker, hebben een droom gehad die hen deprimeert. Wie kan dromen verklaren als je niet weet van brood en wijn? De schenker gaat in Jozefs uitleg dóór, de bakker staat op verlies. Straks zal heel Egypte hongerlijden, maar wie zal Egypte voeden? U weet het al: Jozef.  Maar zover zijn wij nog niet. 

Jozef moet eerst uit de gevangenis komen, vrijgepleit door de hof-schenker. Want nu heeft de farao gedroomd, een droom die helemaal verkeerd kan uitpakken. En er is er maar één die van de dromen iets begrijpen kan. Dromen, het is de manier waarop de God van Israël met mensen in gesprek gaat.

Jozef wordt gerehabiliteerd. Al die tijd geen woord over de broers, die inmiddels in een hongersnood zijn beland. Ze zoeken brood en kunnen die bij Jozef halen. Maar hoe kom je bij hem als je het lievelingskind van Jakob, Benjamin, niet mag inzetten? Daar kom je dankzij Juda, die zweert Benjamin weer terug te brengen bij zijn vader. En zo gaan de elf broers op stap, om brood, eenmaal, tweemaal, zonder te weten dat Benjamin wordt ingezet als het om broederschap gaat. Tot de bom barst, tranen en nog eens tranen: ‘Ik ben Jozef, leeft vader nog?’ 

Broeders, elk met een soms moorddadig verhaal. Je zult zo’n broer hebben, meer nog, je zult zo’n vader hebben… Je mag van geluk spreken.

Drie keer een andere kijk

Blog

Drie keer een andere kijk

De stem van een christen

Wanneer ik als christen Genesis 3 lees, zie ik een God die mij tegelijk streng en barmhartig voorkomt. Het raakt me dat Adam en Eva het paradijs verliezen. God had hun een wereld gegeven waarin ze vrij konden leven, en toch kozen ze ervoor om zijn gebod naast zich neer te leggen. Voor mij gaat het verhaal daarom in de eerste plaats over vertrouwen: vertrouw ik God ook wanneer ik zijn bedoeling niet volledig begrijp?

Toch vind ik Gods optreden niet eenvoudig. Hij zet Adam en Eva uit de tuin en de weg naar de boom van het leven wordt afgesloten. Dat klinkt hard. Maar ik lees daarin niet alleen straf. Er zit ook bescherming in. De mens moet niet in een gevallen toestand eeuwig blijven leven. De verbanning is pijnlijk, maar misschien is ze ook een grens die God trekt tegen een nog groter kwaad.

Wat mij vooral treft, is dat God de mens niet loslaat. Adam en Eva verstoppen zich, maar God zoekt hen op. Hij vraagt: ‘Waar ben je?’ Niet omdat hij niet weet waar Adam is, maar omdat hij de mens aanspreekt en uitnodigt om tevoorschijn te komen. Dat vind ik een belangrijk beeld van God: rechtvaardig, maar niet onverschillig.

Als christen lees ik Genesis 3 bovendien in het licht van de rest van de Bijbel. Het verhaal van de zondeval is voor mij niet het laatste woord. Later wordt juist zichtbaar hoe God de verbroken relatie met de mens opnieuw zoekt. Voor mij krijgt Christus daarin zijn betekenis: God blijft niet op afstand van een wereld die door de menselijke ongehoorzaamheid is gebroken, maar komt er zelf in binnen.

Ik hoef Genesis 3 daarom niet te lezen als een verhaal waarin God de mens eenvoudigweg ‘afschrijft’. Eerder zie ik een God die zegt: jullie keuze heeft gevolgen, maar mijn relatie met jullie is daarmee niet voorbij. Het paradijs gaat dicht, maar het verhaal met de mens gaat verder.

De stem van een jood

Wanneer ik als joods gelovige Genesis 3 lees, probeer ik allereerst niet meteen te vragen: ‘Wat zegt dit over de zonde van de mens?’ Ik wil luisteren naar het verhaal zoals het er staat. De mens heeft een keuze gemaakt, en die keuze heeft gevolgen. Adam en Eva kunnen niet zomaar terug naar de situatie van vóór hun overtreding.

Wat mij opvalt, is dat God in dit verhaal niet alleen als rechter verschijnt. Hij spreekt met de mens. Hij vraagt wat er is gebeurd, luistert naar hun antwoorden en spreekt vervolgens zijn oordeel uit. Er is dus een relatie tussen God en de mens, zelfs op het moment dat die relatie ernstig beschadigd is.

Ik vind het ook belangrijk om niet te snel te zeggen dat de mens door deze gebeurtenis voor altijd verdorven is. In mijn Joodse achtergrond denk ik eerder vanuit verantwoordelijkheid en de mogelijkheid om steeds opnieuw te kiezen. Genesis 3 vertelt over een mens die grenzen overschrijdt en de gevolgen daarvan ondervindt. Maar het vertelt niet dat de mens daarna geen verantwoordelijkheid of keuzevrijheid meer heeft.

De uitzetting uit de tuin vind ik tragisch, maar ik zie er ook iets menselijks in. De mens wordt geconfronteerd met een nieuwe werkelijkheid. Hij kan niet terug naar de onschuld van daarvoor. Vanaf dat moment moet hij leven in een wereld van arbeid, pijn, kwetsbaarheid en sterfelijkheid.

Tegelijkertijd blijft God betrokken. Hij maakt kleding voor Adam en Eva voordat hij hen wegstuurt. Dat kleine detail vind ik opvallend. Zelfs wanneer God een oordeel uitspreekt, laat hij de mens niet eenvoudig aan zijn lot over.

Ik zou daarom voorzichtig zijn met het beeld van een wrede God die zomaar twee mensen uit een perfecte wereld wegjaagt. Voor mij gaat Genesis 3 eerder over menselijke vrijheid, grenzen, verantwoordelijkheid en de gevolgen van onze keuzes. Het is geen verhaal dat alle vragen oplost. Juist daarom blijft het gesprek erover belangrijk. Wie is God wanneer de mens faalt? En wie is de mens wanneer hij ontdekt dat vrijheid ook verantwoordelijkheid betekent?

De stem van een atheïst

Als atheïst lees ik Genesis 3 niet als een verslag van iets wat ik geloof dat werkelijk is gebeurd. Ik zie het als een oud religieus verhaal waarin mensen proberen te begrijpen waarom het menselijke leven zo anders is dan we zouden wensen.

En vanuit dat perspectief vind ik de God in Genesis 3 interessant. Hij heeft de mens in een paradijselijke omgeving geplaatst, geeft één duidelijke grens en straft de mens vervolgens wanneer die grens wordt overschreden. Ik begrijp waarom gelovigen daarin een verhaal over gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid zien. Maar ik stel me ook vragen bij het beeld van God dat hierdoor ontstaat.

Waarom zou een alwetende en almachtige God überhaupt een situatie creëren waarin de mens zo gemakkelijk voor deze keuze kan komen te staan? En waarom wordt de straf zo groot? Adam en Eva verliezen hun paradijs en krijgen te maken met pijn, arbeid en sterfelijkheid. Vanuit mijn wereldbeeld vind ik dat moeilijk te rijmen met het idee van een volmaakt goede God.

Tegelijkertijd vind ik het te simpel om het verhaal alleen maar af te doen als een verhaal over een wrede God. Er zit namelijk veel menselijke wijsheid in. Mensen overtreden grenzen. We ontdekken dat vrijheid gevolgen heeft. Zodra je eenmaal kennis hebt opgedaan, kun je niet meer terug naar onwetendheid. En onze keuzes veranderen soms niet alleen ons eigen leven, maar ook dat van anderen.

De passage waarin God Adam en Eva kleding geeft, vind ik bijvoorbeeld opvallend. Zelfs binnen het verhaal is God niet uitsluitend iemand die straft. Hij zorgt ook voor de mensen die hij wegstuurt.

Voor mij hoeft dat echter niet te betekenen dat God bestaat. Ik kan dezelfde tekst lezen als een manier waarop oude mensen nadachten over een universeel menselijk probleem: waarom is het leven moeilijk, waarom sterven we, waarom schamen we ons, en waarom heeft vrijheid soms zulke pijnlijke gevolgen?

Daarom vind ik Genesis 3 vooral interessant als spiegel van menselijke ideeën over God en over onszelf. Het verhaal vertelt misschien minder over hoe God daadwerkelijk is dan over de vragen waarmee mensen al duizenden jaren worstelen.

Het verhaal van Ester loopt door tot in onze tijd

Blog

Het verhaal van Ester loopt door tot in onze tijd

Piet van Midden 16 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Ze was mooi, een plaatje. De mannen in Susa keken nog even om als ze langsliep en zuchtten. Ze werden helemaal onrustig. Waarvan, van wie? Van Ester, een Joods meisje. Haar ouders waren in de oorlog zoekgeraakt. Ze waren in de verte nog familie van koning Saul. Maar het kind was meegenomen door een oom, Mordechaj. Hij had Ester verzorgd en bewaakt. 

Maar hoe moest het nu verder? Mordechaj hoefde er niet wakker van te liggen. Dat deed de koning Ahasveros wel, die enorme feesten organiseerde tot meerdere eer en glorie van zichzelf. Zijn gasten moesten aah en ooh roepen Hij glom van trots als als hij de hemel in werd geprezen. 

Wie de gasten misten, waren de vrouwen. Mannen en vrouwen vierden elk hun eigen feestmaal. Maar daar bleef het niet bij. De inmiddels dronken koning riep opeens: ‘Lieve gasten, het mooiste heb ik nog niet laten zien: de koningin, Vasti. Haal haar op! Je zult verbaasd zijn.’ 

Maar Vasti was niet van plan zich uit te kleden voor een stelletje bezopen gasten en als buikdanseres aan de slag te gaan. Ze kwam niet. Ahasveros stond voor gek en zijn hovelingen al net zo. Zij begrepen dat de weigering van Vasti als een lopend vuurtje door het rijk zou gaan. En dat andere vrouwen ook hun mannen zouden weigeren. De oplossing was duidelijk: er moest een nieuwe gehoorzame koningin komen. De hovelingen begonnen aan de populaire campagne ‘Koning zoekt vrouw’ en binnen de kortste keren waren er meisjes genoeg die een ‘nachtje Ahasveros’ wel zagen zitten. Ester was ook opgehaald en wat Mordechaj al vreesde gebeurde: de koning werd smoorverliefd op Ester. Zij was de nieuwe koningin en er werd natuurlijk een wijnfestijn georganiseerd. 

Dat niet iedereen vriend van de koning was, ontdekte Mordechaj, toen hij twee mannen iets hoorde smoezen over een aanslag. Mordechaj briefde het door aan Ester en al snel bleek het verhaal te kloppen. De twee samenzweerders werden op een paal gespietst en er werd een notitie van gemaakt: ‘Aanslag verijdeld dankzij ene Mordechaj. Waarvan acte.’

Intussen groeide de haat tegen de Joden. Ahasveros had een speciale minister aangesteld die plannen uitwerkte om alle Joden, mannen, vrouwen en kinderen te vermoorden. Alles werd perfect georganiseerd. ‘Wil je nog een slokje? Laten wij erop toosten,' zei de koning, ‘op de goede afloop!’ Ze klonken en intussen dacht Haman aan Mordechaj die zijn humeur verpestte door niet voor hem te knielen als hij de stadspoort binnenkwam. Hij wachtte op het goede moment. Dan zou hij Mordechaj op een paal prikken. 

Die nacht kon Ahasveros niet slapen. Nu was er niets saaiers te bedenken dan de notulen, die vooral verslagen van wijnfestiviteiten bevatten. Maar ook iets nieuws passeerde hier: de samenzwering van twee hovelingen tegen de koning en de rol van Mordechaj. ‘Is die meneer ook beloond?’ vroeg Ahasveros? 'Niet?' 

Op dat moment zag hij uit een ooghoek Haman de burcht binnenkomen. Hij wenkte hem binnen en vroeg: ‘Wat zal men doen aan de man aan wie de koning eer wil bewijzen? Eer?' 

Haman begon te glimmen. Dat kon alleen aan hem besteed zijn, als hoogste minister, en hij lepelde op: ‘Een koninklijk kleed, een koninklijk paard… en laat hem rijden op het plein en roep ‘Zó wordt gedaan aan de man aan wie de koning eer wil bewijzen.’ De koning zei: ‘Doe dat precies zo voor Mordechaj, die elke dag in de stadspoort zit.’ Haman schaamde zich dood en wist niet hoe snel hij thuis moest komen. Maar tijd werd hem niet gegund, want er stond al een bode aan de deur om hem op te halen voor een diner met de koning en met Ester. 

Daar beleefde Haman zijn galgenmaal. De koning vroeg: ‘Wat wil je, Ester, als is het de helft van mijn koninkrijk ?’ ‘Ik wil leven, majesteit, maar ik en mijn volk zijn verkocht.’ ‘Maar door wie dan?’ ‘Door hem daar, een verdrukker, een vijand, Haman.’ Haman werd afgevoerd en op een paal gespietst.

Het verhaal is veel langer dan hier verteld. Het loopt zelfs door tot in onze eeuw. Haman is nog steeds niet dood. Hij steekt nog steeds de kop op. Geniet van de goede wijn van koning Ahasveros. En neem nog een slokje, totdat je het verschil niet meer weet tussen ‘Vervloekt zij Haman’ en ‘Gezegend zij Mordechaj.’

Het is stil aan de top

Blog

Het is stil aan de top

Piet van Midden 8 september

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Het is stil aan de top. Het kan eigenlijk niet anders. De eisen worden steeds zwaarder en de mensen die de klus kunnen uitvoeren worden schaarser. We kennen uit de media wel wat bekende gezichten, captains of industry maar er is maar één Nelson Mandela. 

Het is stil aan de top. Bijbelverhalen lang gaat het daarover. Over Mozes, een geboren leider, die als baby, verstopt tussen het riet een keel opzet en daarmee de Egyptenaren alarmeert: ‘Dit kind mag er niet zijn, dit is een gevaar.’ En in een mandje, gepekt en gepakt de Nijl afzakt en in de armen van Farao’s dochter wordt gedreven. Eén hap van een krokodil en het hele verhaal is meteen afgelopen. 

Het mandje is geen doodskistje maar een ark zoals Noach die maakte, zij het van riet. Het kind wordt uit een zee van riet gered, straks zal hij op zijn beurt Israël uit de Rietzee redden. En het krijgt een naam: Mozes. ‘Zoon’ betekent dat. Maar waar is de vader, Ra-Mozes, of vloeiender: Ramses? Van wie is dit kind een zoon? Eeuwenlang zijn mensen op zoek geweest naar hun vader. Mozes is een kind van de God van Israël, alleen weet hij dat zelf nu nog niet. Dat zal hem straks worden verteld, in het grote banoord, de woestijn.’

Opgejaagd uit Egypte wordt hij schaapherder. Wat moet je anders dan met je schapen rondjes draaien, met de seizoenen mee. Tot die ene dag zo anders dan andere dagen. Hij ziet een braamstruik in brand, maar die verteert niet. Tot een stem hem uit de struiken roept: ‘Mozes, Mozes. Doe je schoenen uit, je staat op heilige grond!.’ De stem was nog niet uitgesproken en vervolgde: ‘Ik ben de God van je vader, Abraham, Isaak en Jakob.’ 

Mozes verborg zijn gezicht in zijn handen, want wie kan God zien en in leven blijven? We kunnen niet eens tegen de zon in kijken. Maar de stem trok zich er niets van aan en vervolgde: ‘ik ben afgedaald om van dichtbij te zien wat er met mijn volk gebeurt. Ik wil het zelf meemaken. Genoeg gepraat, jij krijgt de klus.’ 

‘Ik, de kkklus, wat bedoelt u? Ik stotter helemaal.’ 

‘Ik hoor het gejammer als er klappen vallen, ik ken hun pijn, daarom ben ik afgedaald om hen te redden. En dat mag jij namens mij doen.’

Mozes probeerde nog een uitvlucht: ‘Ehh, u hebt wel een stem, maar hebt u ook een naam?’ Als ik bij de Israëlieten kom en die doen navraag, en ik weet niet eens te vertellen met wie ik heb gesproken, wat moet ik dan zeggen? 

Toen antwoordde de stem: ‘Ik ben die ik ben. Als ze willen weten wie jou heeft gestuurd, zeg dan: Ik benheeft mij gezonden.’

Zo is Mozes de geschiedenis ingegaan. God en hij zijn vrienden geworden. Of ze weleens ruzie hebben gehad? Het heeft geknetterd op de berg Sinai. Maar de vriendschap is nooit kapot gegaan. Het was alsof ‘Ik ben’ met hem meeging. Mozes waagde zich aan de woestijn. Hij vertrouwde erop dat hij water en brood voor het volk zou vinden. Hij was niet bang van vijandige volken. Veertig jaar lang heeft hij met de Israëlieten in de woestijn rondgetrokken. Toen zat zijn klus erop. 

Er wordt verteld dat Mozes niet op ouderdomspensioen zat te wachten. Zijn oog was nog steeds niet uitdrukkingsloos geworden en zijn frisheid was niet geweken. Hij weigerde met de engel van de dood mee te gaan. Toen begreep God dat hij een andere weg moest bewandelen: Hij gaf Mozes een kus, en de levensadem van Mozes ging over in de Geest van de Schepper. 

God heeft hem zelf begraven, maar niemand weet waar.

Legio

Blog

Legio

Piet van Midden

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Daar sta je dan. Je wilde nog zeggen: ‘Rabbi, kijk eens naar de lucht. Het gaat stormen. U wilt toch niet nú de oversteek wagen?’ Maar mijn boodschap kwam niet over. Hij stapte in een boot en zei alleen maar: ‘Naar de overkant!’ en dat was het. 

We staken van wal en algauw viel Jezus in slaap. De wind trok aan en wij, wij roeiden tegen de storm in. De golven namen de boot in bezit, en ons erbij, totdat we in grote nood riepen: ‘Meester, wij vergaan!’ En hij werd wakker en bestrafte de wind. Tegen ons zei hij alleen maar: ‘Waar was je geloof?’ 

Daar sta je dan. Lieve Heer, wij zijn bang. Wat moeten wij aan de overkant? Wat hebben wij te zoeken bij mensen die van u niet weten? Daar wonen rare mensen en straks lopen wij gevaar. Kunnen we niet terugvaren?’ 

Maar misschien zijn wij al te laat, daar komt iemand aan, uit een hol, een gek, moet je eens kijken. Hij is helemaal bloot, ’t Lijkt Adam wel. Dit is er van ons geworden. Het was toch allemaal goed, zelfs zeer goed, toen u de Mens en zijn vrouw, Adam en Eva maakte? Is dit uw nieuwe tuin van Eden, uw paradijs? 

Hij roept wat, hij schreeuwt tegen Jezus: ‘Wat heb je met mij te maken, zoon van de Allerhoogste God? Ik ben hier en jij bent daar, en blijf daar dan ook. Ik hoef alleen nog dood te gaan. Een graf heb ik al.’

Daar sta je dan. Lieve Heer, wij zijn nog steeds bang. Een vijandig mens wordt aangevallen, er spookt wat in zijn hoofd, een boze macht, het zijn wel duizend, meer nog, een legioen boze machten. En nu gaat dat legioen op stap. Ik voel het, ik zie het: ze hebben zich gestort op een kudde varkens. Die beesten worden helemaal gek van die man. Of gek van Jezus, want in hem huist de liefde, Hij is een bewoonbaar huis. En jawel, daar komen ze aan, een legioen varkens. Ze denderen de berghelling af, ze verdrinken in de zee. En de herders? Ze weten niet hoe snel ze weg moeten komen. Overal, op het platteland en in de stad, vertellen ze het verhaal. Welk verhaal? Dat over de varkens die door dolle heen waren en zich massaal in het meer stortten. 

Daar sta je dan, lieve Heer. Wat moeten we beginnen met mijnheer Legio? Over hém hebben de herders helemaal niets verteld. Wel over de schade die ze leden door een verlies van een legioen varkens. De hele economie van ‘de overkant’ is naar de knoppen. Dat is kennelijk belangrijker dan de redding van een mens. Economie gaat vóór. En als je er later over vertelt, vertel je dan ook hoe bang je was in die storm? En hoe bang je was toen een bezeten man op Jezus afstormde? Of moet je gewoon nog veel leren? Maar mag ik een suggestie doen? Heeft Jezus niet ooit in een ander verband gezegd: ‘Ik had honger en jij hebt mij te eten gegeven, ik had dorst en jij hebt mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jij hebt mij gehuisvest. Ik was naakt en jij hebt mij aangekleed; ziek en je hebt mij bezocht; in de gevangenis en je bent bij mij gekomen. Wat zegt u? Zegt u: Doe dat en begin een ander leven?

Wie is die David eigenlijk?

Blog

Wie is die David eigenlijk?

Piet van Midden 3 september

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners,maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Soms wordt de reis van je leven je dood. Het had weinig gescheeld of ik had dit nooit kunnen vertellen. Ik reisde in een gebied waar je beter weg kunt blijven. Om de haverklap waren er conflicten tussen Israëlieten en Filistijnen. En als je daarin betrokken raakt, is je leven niet zeker. Maar let op! Precies op het moment dat ik het Filistijnse plaatsje Gat passeerde, gingen de stadspoorten open en verscheen er een reus. Hij moest bukken, zo groot was hij. 

Bukken was niet zijn sterkste kant. Hij droeg beschermende kleding, niet van stof maar van bronzen platen, en een bronzen helm. De schacht van zijn speer was zo dik als de boom van een weefgetouw. Een enorm gewicht sjouwde hij mee. Het was schering en inslag dat hij vloekte en hij riep: ‘Ik ben Goliat, een Filistijn, en jullie horen bij Saul. Allemaal bange mannetjes. Stuur een kerel, een held om tegen te vechten, wij samen.’ 

Saul en zijn mannen hoorden het aan. Ook Saul stak met kop en schouders boven de massa uit, maar om te sterven door de enorme speer van Goliat, onder handgeklap en gejoel van de Filistijnen, leek hem geen koninklijk idee.

Ik moet je even meenemen naar een plek die je waarschijnlijk kent: Betlehem. Daar was een familie met acht zonen, van wie de oudste drie in militaire dienst waren gegaan. Elke dag hoorden ze het geschreeuw van Goliat aan, nu al veertig dagen lang. Veertig dagen het gebrul van Goliat van aanhoren was al een lijdenstijd op zichzelf. 

Hun vader Isaï was bezorgd en stuurde David, zijn jongste zoon, naar het slagveld om informatie. Hij kreeg een heel pakket aan lekkere dingen mee, zoals geroosterd brood en kaas, ook voor de commandant. Isaï had vroeger kennelijk zelf ook in het leger gediend en wist hoe de hazen liepen. 

Aangekomen op het slagveld maakte David meteen kennis met Goliat, die stond te vloeken als een dragonder. De manschappen van Israël huiverden. David hoorde dat Saul een aantrekkelijke prijs op het hoofd van Goliat had gezet: de winnaar mocht trouwen met de dochter van de koning en werd vrijgesteld van belasting. Een sprookjeshuwelijk. Maar dan moest je wel eerst Goliat verslaan, die intussen doorging met vloeken. Tot verbazing van David die zich afvroeg wat die onbesneden reus zich veroorloofde te kunnen doen: de slagorde van Israëls God uitdagen, de God die de HEER van de legerscharen wordt genoemd. 

Davids commentaar bleef niet onopgemerkt. Men bracht hem bij Saul die zijn oordeel al klaar had: ‘Je hebt geen ervaring met Filistijnen.’ 

‘Maar wel met leeuwen en beren.’ ‘

Als meneer graag dood wil, dan is dit je kans,’ schamperde Saul. 

David kreeg Sauls wapenrusting aan. Hij ging lijken op een krijgsman. Hij wandelde en wankelde en zei: ‘Dit heb ik nooit geprobeerd.’ 

Hij deed zijn wapenrusting uit, pakte zijn staf, zocht vijf gladde stenen en liep op Goliat af die hem hartgrondig vervloekte. ‘Ik voer je aan de wilde dieren, kom eens hier!' 

Maar David riep: ‘De God van Israël bevrijdt niet door zwaard of speer. Dit is Gods strijd.’ Goliat ging tot de aanval over, maar David slingerde een steen die Goliats voorhoofd trof. De reus wankelde en sloeg tegen de grond. David rukte het enorme zwaard uit Goliats schede en sloeg daarmee zijn hoofd eraf. 

Zo is het gegaan. Ik heb eerder gehoord dat de Filistijnse god Dagon is onthoofd. Door wie? We weten het niet. En Saul is in de strijd met de Filistijnen onthoofd, met zijn drie zonen. Maar wie is die David eigenlijk? Van wie is hij er een?

David en Goliat anno nu

Blog

David en Goliat anno nu

Benedikte Bos 10 september 2026

Benedikte Bos is in 1986 theologie gaan studeren aan de VU in Amsterdam. Ze was achtereenvolgens predikant in Oudemirdum, Bilthoven en Ouderkerk aan de Amstel. Sinds 2024 is ze voorganger in de Protestantse Gemeente Laren-Eemnes. Benedikte denkt graag na over de actuele zeggingskracht van Bijbelverhalen. 

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft Benedikte bij elk van de prentenboeken een bijdrage op het snijvlak van het oude verhaal en onze huidige samenleving. Dat doet ze in beeldende, heldere taal waarin ze ook duidelijk laat zien waar zij voor staat. Lees en ontdek dat!

Het verhaal van David en Goliat behoort tot de bekendste verhalen uit de Bijbel. Velen kennen de beelden: de reusachtige krijger, zwaarbewapend en zelfverzekerd. En daartegenover een jonge herder met niets meer dan een slinger en vijf stenen. Het lijkt een ongelijke strijd. Toch wint niet de sterkste, maar degene die anders kijkt.

Misschien spreekt dit verhaal juist daarom nog steeds zo aan. Want ook vandaag leven we in een wereld vol Goliats.

Soms zijn het wereldmachten die tegenover elkaar staan. We zien oorlogen die eindeloos lijken voort te duren, terwijl gewone mensen de prijs betalen. Soms zijn het grote technologiebedrijven die meer invloed hebben dan veel regeringen. Soms zijn het de cijfers van de economie, de woningnood, de klimaatcrisis of de groeiende polarisatie. Problemen die zo groot lijken dat we onszelf afvragen: wat kan één mens hier nog aan doen?

Goliat leeft van angst. Zijn kracht zit niet alleen in zijn wapenrusting, maar vooral in de overtuiging dat niemand hem kan verslaan. David doorbreekt die logica. Hij weigert zich te laten bepalen door de maatstaven van zijn tegenstander. Hij trekt geen harnas aan dat hem niet past. Hij probeert niet een kleine Goliat te worden. Hij blijft David.Vorig jaar leidde bisschop Mariann Budde de kerkdienst na de inauguratie van president Trump. 'Meneer de president,' sprak ze op rustige toon in de Washington National Cathedral, 'ik vraag u in Gods naam om barmhartig te zijn voor mensen die nu bang zijn. Homo’s, lesbiennes, transgenders, sommigen vrezen voor hun leven.' 

De kersverse president reageerde furieus, hij eiste excuses. Buddes sympathisanten prezen haar juist: ze heeft de machtigste man op aarde de waarheid gezegd, en zo getart.

Dat is misschien wel de meest actuele les van het oude verhaal van David en Goliat. Verandering begint vaak niet bij degenen die de meeste macht hebben, maar bij mensen die weigeren zich neer te leggen bij wat vanzelfsprekend lijkt. De vrijwilliger die vluchtelingen welkom heet. De buur die eenzaamheidsproblemen doorbreekt. De journalist die feiten blijft zoeken in een tijd van desinformatie. De jongere die opkomt voor een leefbare aarde. Kleine stenen misschien, maar soms verrassend doelgericht.

Het verhaal waarschuwt ook. Wie alleen vertrouwt op grootte, macht en spierballentaal, kan blind worden voor wat werkelijk telt. Geschiedenisboeken staan vol voorbeelden van ogenschijnlijk onaantastbare machten die uiteindelijk toch ten val kwamen.

David en Goliat is daarom geen sprookje over een wonderlijke overwinning. Het is een verhaal over perspectief. Over de vraag naar wie wij luisteren: naar de stemmen die zeggen dat verandering onmogelijk is, of naar de stem die ons uitnodigt om moediger te zijn dan onze angst.

Onze wereld van nu kent genoeg Goliats. Maar zolang er mensen zijn die, zoals David, geloven dat recht sterker kan zijn dan macht en hoop sterker dan cynisme, is het laatste woord nog niet gesproken.

Waar duisternis is, is ook licht

Blog

Waar duisternis is, is ook licht

Jos van Oord 18 september 2026

Jos van Oord is theoloog en startte als predikant graag nieuwe initiatieven. Zo zette hij in Amersfoort-Noord een bloeiende oecumenische gemeenschap op en was hij een van de initiatiefnemers van De Kamers, een huis van ontmoeting, cultuur en inspiratie, in Vathorst (Amersfoort). Jos heeft een grote liefde voor de oeroude verhalen en de Bijbel is een van zijn belangrijkste bronnen van inspiratie. Samen met zijn zus Inez schreef hij de succesvolle uitgave 'Rebible'. 

Voor 'Gouden Bijbelverhalen' schrijft hij bij elk van de boeken een brief aan een van zijn kleinkinderen.

Lieve kleinzoon,

Het huis waar ik woon en waar jij nu af en toe komt, staat aan de rand van een bos. Ik kan nu nog door het bos heen kijken, maar straks als het zomer is, zit het potdicht. De bomen komen uit, het bruin maakt plaats voor veel groen. Dat vind ik altijd zo mooi. Het lijkt allemaal dor en dood… en dan schiet er gaandeweg van alles op. Dat is de kracht van de natuur. 

Ik heb in mij jeugd op Schouwen, in Zeeland gewoond. Vlakbij de duinen en het strand. Ik kom er nog steeds graag. Ik ervaar de kracht en pracht van de natuur daar heel sterk. Misschien kunnen we een keer een strandwandeling maken, samen schelpen zoeken of iets bouwen van zand.

Ik moet je trouwens iets zeggen wat helemaal niet leuk is. Deze aarde waar jij op geboren bent en die vol zit met dit soort prachtige natuur, heeft het moeilijk. Ja, zal je misschien later zeggen, logisch, die aarde is ook veel ouder dan opa, miljarden jaren oud. Dat is ook zo. Een oude aarde! Maar in die tijd die ik er nu op leef, is er veel gebeurd waardoor het helemaal niet goed gaat. We hebben er met elkaar meer een vuilnisbelt van gemaakt. En de lucht vervuild door vliegtuigen, fabrieken en auto’s. Ja, ik doe er ook aan mee. Het wordt daardoor ook steeds warmer. 

Ik vind het zo vervelend om deze boodschap op te schrijven in een brief naar jou. Jij, die zo fris en fruitig het leven instapt en straks vast veel zin hebt om de wereld te gaan ontdekken… om dan jou te schrijven dat ik wat somber ben over de toekomst van deze aarde. Wat laat ik jou achter?

Toch is dat niet het laatste wat ik erover denk, Abel. Het glas is bij mij niet halfleeg, maar halfvol. Hoop doet leven. En ik trek me op aan dat oude scheppingslied dat als eerste hoofdstuk in de Bijbel staat. Ik lees het wel een keer met je. Aan het einde van dat lied staat dat God alles zag wat hij gemaakt had: 'en zie, het was zeer goed’. Nou, dat is toch om je aan op te trekken? 

Er is in de taal van de Bijbel trouwens een mooi verband tussen het woord ‘mens’ en de ‘aarde’. De mens heet in het Hebreeuws Adam en de aarde adama. Grappig hè? Dat wil iets zeggen. Wij horen bij elkaar, de aarde en de mens. We zijn elkaars vrienden. Daarom moeten we zorgvuldig met de aarde omgaan. Dan gooi je niet zomaar een blikje weg. Wat ik allemaal zie liggen in de stad en aan de kant van de weg!

Ik heb geen idee hoe de aarde zal zijn als jij grootvader bent geworden. Ik hoop beter. Mooier. Dat zou ook best kunnen, want er zijn in deze tijd veel mensen die zich daarvoor inzetten. In het klein, bijvoorbeeld wat je koopt, wat je eet; en in het groot, in de politiek. En weet je wat we in mijn tijd ook ontdekt hebben? De kracht van de zon en de wind. Die leveren ook heel veel energie die we kunnen gebruiken. 

Dus Abel, je opa kan somber zijn, maar waar duisternis is, is ook licht. En lichtpuntjes zie ik ook. Zeker nu jij in ons leven bent gekomen. Klein verzetstrijdertje dat je bent! Kom maar gauw weer langs, dan gaan we in het bos hier, op zoek naar de vogels. Laatst vloog een roodborstje een poosje met me mee. We zien haar vast weer. Want ze zal gewoon blij zijn om jou te zien. Met je rode wangetjes!

 Opa Jos

Het moet van boven komen...

Blog

Het moet van boven komen...

Piet van Midden 20 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en die dieper op de achtergronden ingaat.

De eerste kerstnacht… dat suggereert dat er ook een volgende kerstnacht zou kunnen zijn. Het woordje nacht klinkt al een beetje onheilspellend. Wat het daglicht niet kan verdragen, bloeit in de nacht. En zo voelen velen het met kerst. 

Kerst vindt plaats in de nacht, Pasen op de vroege morgen, Pinksteren in het volle daglicht. Maar we komen vaak niet verder dan die kerstnacht. Dan komt alles weer boven. Dan spreken je geliefden, tot zwijgen gebracht in fotolijstjes, jou weer toe, en komen allerlei gebeurtenissen waarmee je geen vrede kunt hebben, weer tot leven. Kerst, mag het alsjeblieft een beetje vrolijker? 

Dat is wel een lastige. Het kerstverhaal zet zwaar in: ‘En het geschiedde…’ Er gaat wat gebeuren, maar niet iets waarop je zit te wachten: een blauwe envelop van de belastingdienst. Een decreet dat er betaald moet worden aan keizer Augustus. En dat het kadaster moet worden bijgewerkt, zodat de keizer het volgende jaar opnieuw kan aankloppen. 

Dat is het Romeinse rijk ten voeten uit: efficiency. Stroomlijnen. Vergeet even niet dat Jezus is geboren in het Romeinse rijk, waarin Nijmegen en Jeruzalem tot hetzelfde rijk behoorden; waar één munt, de sestertie, als wettig betaalmiddel gold; waar sprake was van één rechtssysteem, ‘ieder het zijne geven’. Jezus is een geboren wereldburger. Hij is niet alleen geboren voor Israël, maar voor al die mensen die onderweg zijn en van het pad raken. 

Jozef en Maria zoeken niet de grenzen op. Ze gaan naar Betlehem en krijgen daar nul op het rekest. Dat wordt vaak breed uitgemeten: voor Jezus is geen plaats, en dan is de preek gauw gemaakt: onze wereld biedt geen plek voor de geringen. Maar mag het ook een beetje meer genuanceerd zijn? Jozef en Maria zorgen met alles wat ze hebben aan liefde voor dit kind. Jozef en Maria valt niets te verwijten. Ik denk aan al die baby’s die in peperdure slaapkamers worden verzorgd en de meest onzinnige speeltjes krijgen, maar die veel meer evenwichtig zouden opgroeien als ze in liefde werden grootgebracht. 

Kerst is het feest van de nacht. Maar wie is er nog op als de zon al is ondergegaan? Dat zijn degenen die waken, het zijn herders die door een engel worden aangesproken. Engelen slapen niet, ze kennen de weg in de hemel en op de aarde. Engelen laten God aan het woord. Wat hebben ze te vertellen? ‘U is vandaag de Heiland geboren, de Christus, de Heer.’ Of voor anderen: ‘de Redder, de Messias, de Heer.’ In drievoud in elk geval, zoals dat bijna hoort in de Hebreeuwse Bijbel. Let goed op de volgorde: Heiland, Christus, Heer. Hij is de messiaanse redder die aangesproken wordt als HEER, de naam die God zelf draagt.

Wij hebben het algauw over de geboorte van Jezus. Maar Jezus is een Joodse man, want geboren uit een Joodse moeder. Hij gaat pas Jezus heten als hij is besneden en zijn naam heeft ontvangen. En die naam betekent ‘God redt'. Maar waarvan? Daar zijn evangelieboeken over vol geschreven. Jij en ik redden het niet. Het moet van boven komen, uit de hemel. Als het daar niet vandaan komt, is het er gewoon niet.

En jij zult met je vingertje naar de kribbe wijzen en zeggen: 'Die!’

Blog

En jij zult met je vingertje naar de kribbe wijzen en zeggen: 'Die!’

Jos van Oord 15 september 2026

Jos van Oord is theoloog en startte als predikant graag nieuwe initiatieven. Zo zette hij in Amersfoort-Noord een bloeiende oecumenische gemeenschap op en was hij een van de initiatiefnemers van De Kamers, een huis van ontmoeting, cultuur en inspiratie, in Vathorst (Amersfoort). Jos heeft een grote liefde voor de oeroude verhalen en de Bijbel is een van zijn belangrijkste bronnen van inspiratie. Samen met zijn zus Inez schreef hij de succesvolle uitgave 'Rebible'.

Voor 'Gouden Bijbelverhalen' schrijft hij bij elk van de boeken een brief aan een van zijn kleinkinderen.

Lieve kleindochter, 

Dat was een mooi uitje hè, naar die grote kerstmarkt in het tuincentrum? Jij keek je ogen uit en ik ook. Ontzettend veel kerstballen, van klein tot enorm groot en in alle kleuren van de regenboog. De hele wereld kun je in de kerstboom hangen: ijsjes, stukken watermeloen, auto’s, hamburgers, bananen; allemaal van glas en bespoten met glitters. Je mond viel ervan open. 

Helemaal geweldig vond je de bewegende en zingende ijsberen en die enorme kerstman in z’n arrenslee. ‘Oooh,’ zei je steeds en ‘waauw’. En toen kwam er ook nog een hele miniatuurwereld met bergdorpjes, een skilift, huizen, spelende kinderen, een kermis, auto’s, van alles. Tjonge jonge, wat een spektakel.   

En helemaal aan het einde van al dat moois, vlakbij de uitgang, zag ik een paar kerststalletjes staan, van hout. Ik pakte er eentje uit de kast en liet het je van dichtbij zien. 'Kijk, dat is Maria en dat Jozef. En dat zijn de os en de ezel. En dat kleine poppetje in de kribbe, dat is kindje Jezus,’ zei ik. Maar je aandacht was alweer weg, weggetrokken naar iets met meer glitter en glans. 

Het is ook maar een simpel verhaal. Over die twee mensen, Maria en Jozef, die op zoek naar een plek voor de nacht in een stal terechtkomen. En daar wordt hun kind geboren. Die de naam Jezus krijgt. 

In de loop van de tijd zijn er veel verhalen over hem verteld en opgeschreven, verhalen die met elke kerst opnieuw mensen ontroeren. Maar waarom halen we dan al die ballen en versiersels en kaarsen erbij, een tuincentrum vol? Misschien wel omdat het allemaal bij dat kerstverhaal past. 

Het kind in die kribbe heeft het later over de zin van alles, over wat ons te doen staat, over geluk en liefde. In die mooie kerstballen zien we de weerspiegeling van onszelf en denken we misschien na over ons leven. En kijkend naar de lichtjes en de kaarsvlammetjes kunnen we hopen op meer licht en warmte voor mensen die somber zijn en bang. Daarom zetten we in de donkerste tijd van het jaar een kerstboom in huis met kaarsjes en ballen. Omdat we verlangen naar licht en warmte en vrede. Ik hoop dat ook zo voor jou, dat jij opgroeit in een fijne wereld.

Ik zie er weer naar uit om samen kerst te vieren. Te luisteren naar dat oude kerstverhaal, te genieten van een lekkere maaltijd met elkaar, de geur van groen en de warmte van kaarslicht. En waar ik ook naar uitzie is de familietraditie om iedereen een boek te geven. Dat zoek ik met zorg uit en schrijf er een persoonlijke brief bij. Jij krijgt er dit jaar ook weer eentje. Misschien wel een mooi prentenboek over het kerstverhaal. En net als met andere boeken die we samen bekijken, vraag ik je dan waar de ezel is en waar de ster. En waar het kindje Jezus te vinden is. En jij zult met je vingertje naar de kribbe wijzen en zeggen: ‘Die!’

Fijne kerst, lieve kleindochter!

Opa Jos

Rampen mogen niet het laatste woord hebben

Blog

Rampen mogen niet het laatste woord hebben

Jos van Oord 13 september

Jos van Oord is theoloog en startte als predikant graag nieuwe initiatieven. Zo zette hij in Amersfoort-Noord een bloeiende oecumenische gemeenschap op en was hij een van de initiatiefnemers van De Kamers, een huis van ontmoeting, cultuur en inspiratie, in Vathorst (Amersfoort). Jos heeft een grote liefde voor de oeroude verhalen en de Bijbel is een van zijn belangrijkste bronnen van inspiratie. Samen met zijn zus Inez schreef hij de succesvolle uitgave 'Rebible'. 

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk van de boeken een brief aan een van zijn kleinkinderen.

Dag lieve kleinzoon,

Je bent alweer zes jaar. En je vertelt honderduit over wat je op school meemaakt. Ook over de verhalen uit de Bijbel die je daar te horen krijgt en aan mij doorvertelt alsof ze ook voor mij nieuw zijn. En eigenlijk zijn ze dat ook, want je verzint er soms van alles bij en dat maakt ze kleurrijker en leuker.

Ik herinner me uit mijn eigen kinderjaren dat als er op school een verhaal werd verteld ik er meteen beelden bij kreeg en niet meer luisterde naar de juf, maar me liet meeslepen door mijn fantasie. Daarom kon ik op wat toen de lagere school heette niet zo goed meekomen. Ik zat altijd op een wolk, zeiden ze. Nu zouden ze me een beelddenker noemen. Zou best kunnen. Het heeft er wel voor gezorgd dat ik van verhalen ben blijven houden. Ook de verhalen uit de Bijbel - ik heb er zelfs m’n vak van gemaakt om die door te vertellen en uit te leggen. Als je bij ons logeert wil ik je graag voorlezen uit dat oude boek.  Aan tafel of voor het slapen gaan. 

We lazen met jouw vader en zijn broertje aan tafel vaak uit ‘Woord voor Woord’ van Karel Eykman. Je vader heeft het boek nog in zijn kast staan. Karel is in 2022 overleden. Zijn laatste verhaal heet ‘Noachs dochter’. Hij fantaseert daarin verder op een spannend verhaal in de Bijbel waarin een man die Noach heet de hoofdrol heeft en dat gaat over een grote watersnoodramp. In het verhaal van Eykman, dat in onze tijd speelt, heeft Noach een dochter, Greta. Zij maakt zich grote zorgen over het klimaat. Gaat het wel goed met de aarde? Zij weet haar sombere vader over te halen een survival boat te bouwen. Nou, zo’n ‘reddingsboot’ kom je ook tegen in het verhaal uit de Bijbel. Daar wordt het een ark genoemd. Ik zal het je gauw eens voorlezen.

Iemand zei eens over die watersnoodramp uit het Bijbelverhaal dat God zoveel verdriet had om de aarde dat zijn tranen een vloed werden. Maar door de tranen heen wilde hij dolgraag een nieuw begin maken. En daar had God Noach voor nodig. 

Rampen mogen toch niet het laatste woord hebben? Gelukkig zijn er altijd mensen die hun best doen om goed voor de aarde te zorgen. En misschien ben jij er wel zo een.

Dag lieve kleinzoon… tot gauw.

Duid de verschillende lagen voor kinderen in een verhaal

Blog

Duid de verschillende lagen voor kinderen in een verhaal

Erik Renkema

Dr. Erik Renkema is onderwijstheoloog en als adviseur identiteit werkzaam voor Verus. Voorheen was hij docent en onderzoeker in het hoger beroepsonderwijs. In zijn werk en zijn verhalen neemt hij ook zijn ervaringen als leerkracht en kerkelijk werker mee. Eerder droeg hij bij aan verhalenbundels voor kinderen over allerlei levensthema’s en schreef hij het prentenboek ‘De Speelboom’ en de jeugdroman ‘Stroomhoofd’.

Voor 'Gouden Bijbelverhalen' schrijft Erik bij elk van de prentenboeken een bijdrage over de kracht van deze verhalen voor het onderwijs.

Ken je het schilderij van Marius van Dokkum? Het laat zien hoe de Ark van Noach is gestrand op het Araratgebergte en de dieren de Ark verlaten. Het roept mooie vragen op en het tovert een glimlach om je mond. (Kijk voor het schilderij bij 'Thuis - De ark van Noach - Kunst voor kinderen 1').

Je ziet het wasgoed buiten hangen. Het is een van de vele kunstwerken die er bij dit Bijbelverhaal gemaakt zijn. Meestal worden dan allerlei dieren in paren afgebeeld, een vrouwtje en een mannetje, twee aan twee. Maar eigenlijk zouden het er veel meer moeten zijn: in Genesis 7, 2 wordt gesproken over zeven paren van alle reine dieren, en één paar van alle onreine dieren. 

Door een mannetje en een vrouwtje mee te nemen wordt een voorschot op de toekomst na de zondvloed genomen: de belofte van een tijd dat nieuw leven er weer toe zal doen. De keuze voor zeven paren van reine dieren houdt er rekening mee dat er na die zondvloed weer geofferd kan worden: er zijn dan immers voldoende reine offerdieren.

Het verhaal van Noach staat in Genesis 6 tot en met 9. Het is een van de vele zondvloedverhalen die er in allerlei culturen te vinden zijn, zoals het veel oudere Sumerische Gilgamesj-epos. Je zou het als een afschrikwekkend verhaal kunnen lezen: vol teleurstelling, straf en de dood van zoveel mensen en dieren. 

Maar, zeker met kinderen, dien je juist een veel belangrijke laag in dit verhaal te benadrukken. Het gaat daarbij om die belofte voor de toekomst, om het nieuwe begin. De duif, het olijfblad, de vruchtbare dieren en mensen die weer de aarde gaan bevolken, de boog in de wolken: ze duiden allemaal op de hoop op een nieuw begin. 

De gedachte aan de filosofie van Hannah Arendt (1906-1975) dringt zich hierbij op. Zij sprak hoopvol over de nataliteit, ‘het geboren worden van nieuwe mensen en het maken van een nieuw begin, de handeling waartoe zij uit kracht van geboorte in staat zijn’ (De Menselijke Conditie). Juist jonge mensen brengen hoop in de wereld, kunnen een nieuw begin in en van de wereld gestalte geven. 

Gebruik het verhaal van de Ark van Noach dan ook om met kinderen stil te staan bij hun wensen, ideeën en mogelijkheden voor een nieuw begin. Dat kan thuis zijn, op school, in de buurt en in de wereld. Daag hen ook uit na te denken over mogelijke obstakels en allerlei situaties die ze graag zouden willen behouden en waar ze geen nieuw begin zouden willen. En wat zou volgens hen God met een nieuw begin te maken kunnen hebben?

Het zal je gezegd worden...

Blog

Het zal je gezegd worden...

Piet van Midden 14 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Geen Bijbelverhaal is zo geschikt voor een leuk prentenboek dan de story van Noach en zijn kinderen. En natuurlijk de dieren. De aarde als een dierentuin, hoe bijzonder wil je het hebben. Maar zo ver zijn we nog niet. Want de eerste vraag is natuurlijk: hoe kon het zo ver komen?  Een aarde onder water. Alles went, ook overstromingen.

Laten we met elkaar afspreken dat we als het over God gaat, hij er heel menselijk uitziet en ook heel menselijk reageert. Dat maakt het allemaal wat meer begrijpelijk. God is zo anders dan anders, daar kunnen we toch niet bij met ons verstand. Als uw hoofd in de modus ‘menselijk formaat’ staat, gaat het vanzelf voor u leven. Een woedende God. De mensen hebben de wereld verziekt. Zij willen geen mens zijn, maar een god. En de meisjes-mensjes vallen voor de mooie jongens, met zo’n indrukwekkende Griekse kop. Gigantisch gewoon (Genesis 6, 1-4). De samenleving op z’n eind. Dag mooie schepping! Het is allemaal voor niets geweest. Adieu. 

Daarom was God zo kwaad en vatte hij het plan op de hele aarde onder water te zetten. Een onmogelijke opdracht: ‘Noach, bouw een ark, want ik maak een eind aan de aarde, aan de dieren, aan alles.’ 

Het zal je gezegd worden. Noach kreeg een complete bouwtekening van een boot onder zijn neus: driehonderd bij vijftig bij dertig. Elk raampje was ingetekend. 

Noach stotterde: ‘Lieve God, dit is geen boot, dat is een kist, een doodskist.’ 

‘Precies, ik ga de aarde begraven en dat ga jij voor me uitvoeren. Jij bent betrouwbaar. Je moet wel de dieren meenemen. Het is eigenlijk een reddingsboot. Een zeil, een roer, het is er allemaal niet. Jij hoeft niet te sturen, dat doe ik wel. Doe jij nu maar wat ik zeg.’

Noach ging aan de slag, met zijn vrouw en kinderen, Sem, Cham en Jafet en hun vrouwen. Voorzichtig kwamen nieuwsgierig de eerste dieren zich melden, twee bij twee, als een stelletje. En van bepaalde huisdieren zeven paar. Toen ging de boot dicht. God zelf sloot af. 

Het begon te regenen. Het leek of de hemel was opengescheurd en de mensen terug waren bij het begin. De dieren kwamen paar aan paar, per soort één paar. Veertig dagen en veertig nachten stortte het van de lucht. De vloed tilde de ark op en maakte die los van de grond. Mens en dier buiten de ark gingen kansloos onder. 

Toen dacht God aan Noach en aan de wilde dieren. Hij liet het waterpeil dalen, honderdvijftig dagen lang. En toen, een schok, de ark liep vast. Na veertig dagen opende Noach het venster. Het werd licht. Hij liet een raaf wegvliegen maar die cirkelde rond de ark, tot de aarde droogviel. Toen liet hij een duif los, maar die vond geen droge plek en kwam ’s avonds terug naar de ark. Na een week liet hij de duif weer vrij en nu keerde die terug met een olijftak in z’n snavel. 

Toen wist Noach het zeker: de aarde is weer bewoonbaar. Veertig dagen en nachten, veertig weken, de tijd van verwekking en geboorte. De wind die de aarde drooglegt. Een doodskist die reddingsboot wordt. Een roofraaf, op zoek naar voedsel, die een duif moet laten voorgaan met een olijftak. De schepping nog eens overgedaan. En een verbond voor het leven. Het wordt licht.

Drie keer een andere kijk

Blog

Drie keer een andere kijk

De stem van een christen

Ik blijf het een moeilijk verhaal vinden. Als kind zag ik vooral de dieren die twee aan twee de ark in gingen. Maar nu ik ouder ben, denk ik vooral aan al die mensen die niet gered werden. Kinderen. Ouders. Grootouders. Mensen die misschien nooit een kans hebben gehad om anders te leven. Waarom redt God alleen Noach en zijn gezin?

Ik geloof dat God liefde is. Dat is voor mij het hart van de Bijbel. Juist daarom schuurt dit verhaal. Hoe kan een liefdevolle God zo'n oordeel laten komen?

Toch zie ik ook iets anders. De Bijbel vertelt dat geweld en onrecht de wereld hadden overspoeld. Mensen maakten elkaar kapot. Alsof het kwaad alles had overgenomen. Misschien gaat dit verhaal niet over een God die graag straft, maar over een God die weigert het kwaad voor altijd zijn gang te laten gaan.

Dat neemt mijn vragen niet weg. Waarom moest het zó? Waarom deze weg? Ik weet het niet.

Wat mij helpt, is dat dit niet het laatste verhaal over God is. Later zie ik Jezus. Hij kiest niet voor geweld, maar draagt het zelf. Hij redt niet zichzelf ten koste van anderen, maar geeft juist zijn leven voor anderen. Daardoor lees ik het verhaal van Noach anders. Niet als een handleiding voor hoe God altijd handelt, maar als een verhaal uit een lange geschiedenis waarin God mensen stap voor stap laat ontdekken wie hij is.

Misschien is geloven wel niet hetzelfde als overal een antwoord op hebben. Misschien is geloven ook durven zeggen: 'God, ik begrijp u hier niet.' Dat gebed hoor ik ook in de Psalmen.

Ik blijf dus met mijn vragen zitten. Maar ik laat God niet los. Omdat ik geloof dat zijn liefde uiteindelijk groter is dan mijn begrip.

De stem van een boeddhist

Als boeddhist lees ik het verhaal van Noach anders dan iemand die gelooft in een God die de wereld bestuurt. In het boeddhisme is er geen almachtige Schepper die beslist wie mag leven en wie moet sterven. Daarom roept dit verhaal bij mij andere vragen op.

Waarom zou een liefdevolle God bijna alle mensen laten verdrinken? Dat begrijp ik niet goed. Tegelijk probeer ik niet meteen te oordelen. Misschien vertelt dit verhaal iets wat dieper gaat dan een grote overstroming.

In het boeddhisme geloven we dat hebzucht, haat en onwetendheid veel lijden veroorzaken. Wanneer mensen alleen nog aan zichzelf denken, ontstaat er vanzelf een wereld vol geweld. Misschien laat het verhaal van Noach zien wat er gebeurt wanneer zulke slechte eigenschappen de overhand krijgen. Dan stort een samenleving uiteindelijk in, net als een huis dat op een zwakke fundering is gebouwd.

Noach zou je dan kunnen zien als iemand die een andere weg kiest. Hij blijft trouw aan wat goed is, terwijl de mensen om hem heen een andere richting op gaan. Dat spreekt mij aan. Niet omdat hij door God wordt uitgekozen, maar omdat één mens kan laten zien dat een andere manier van leven mogelijk is.

De ark zelf vind ik misschien wel het mooiste beeld. Een ark beschermt het leven. In zekere zin probeert ieder mens zo'n ark te bouwen. Niet van hout, maar van vriendelijkheid, mededogen en wijsheid. Daarmee bescherm je niet alleen jezelf, maar ook de mensen om je heen.

Of de zondvloed echt heeft plaatsgevonden, weet ik niet. Voor mij is dat ook niet de belangrijkste vraag. Belangrijker is de vraag wat het verhaal vandaag met mij doet. Draag ik bij aan meer angst, boosheid en verdeeldheid? Of help ik mee aan een wereld waarin mensen en dieren veilig kunnen leven? Misschien is dat wel de ark die we iedere dag opnieuw mogen bouwen.

De stem van een moslim

Als moslim geloof ik dat Noach, of Nuh zoals hij in de Koran heet, een profeet van God was. God stuurde hem om de mensen te waarschuwen. Jarenlang riep hij hen op om eerlijk te leven en zich weer naar God te keren. Maar de meeste mensen wilden niet luisteren.

Toch vind ik dit verhaal niet gemakkelijk. Waarom worden alleen Noach en de mensen die met hem meegaan gered? Waarom sterven zoveel anderen? Dat zijn vragen die mij raken.

In de islam is God niet alleen rechtvaardig, maar ook barmhartig. Die twee horen bij elkaar. God straft niet zomaar. Volgens de Koran kregen de mensen veel kansen om te veranderen. Pas toen zij bleven kiezen voor onrecht en de waarschuwingen bleven afwijzen, kwam het oordeel. Dat maakt het verhaal voor mij begrijpelijker, maar niet minder verdrietig.

Wat mij diep raakt, is dat zelfs de eigen zoon van Noach niet wordt gered. Hij vertrouwt op een hoge berg en denkt dat hij zichzelf wel kan redden. Noach roept hem nog, maar hij weigert te luisteren. Dat laat zien dat geloof niet iets is wat je van je familie erft. Iedereen maakt uiteindelijk zijn eigen keuzes.

Ik lees dit verhaal niet alleen als een verhaal over straf. Ik lees het ook als een verhaal over hoop. Na de vloed begint God opnieuw met de mensen. Hij geeft hun weer een toekomst. Dat laat zien dat Gods bedoeling nooit is om te vernietigen, maar om mensen terug te brengen naar een leven waarin rechtvaardigheid, geloof en barmhartigheid centraal staan.

Het verhaal stelt mij daarom ook een persoonlijke vraag. Niet: 'Waarom redde God alleen Noach?' Maar: 'Luister ik zelf naar wat goed en rechtvaardig is? Ben ik bereid mijn leven te veranderen als ik merk dat ik de verkeerde kant op ga?' Die vraag is misschien wel belangrijker dan alle antwoorden die ik kan bedenken. Want uiteindelijk vraagt God van mij niet dat ik alles begrijp, maar dat ik probeer te leven met geloof, eerlijkheid en mededogen.

'Van alle bomen mag je eten...'

Blog

'Van alle bomen mag je eten...'

Piet van Midden 16 september 2026

Dr. Piet van Midden is theoloog en was tot zijn emeritaat docent Klassiek Hebreeuws aan Tilburg University. Hij werkte voor vijf verschillende PKN-kerken als predikant en publiceerde een groot aantal artikelen en boeken over de Bijbel. Het meest bekend daarvan is ‘De Groeibijbel’, een Bijbel voor tieners, maar ook vooral gelezen door hun ouders.

Voor Gouden Bijbelverhalen schrijft hij bij elk verhaal een tekst die je aan het denken zet en dieper op de achtergronden ingaat.

Weet jij hoe het was in het begin? Ik bedoel het echte begin, van de aarde en de dieren, en de mens natuurlijk. Je kunt daarover wel fantaseren, maar je kunt ook een écht verhaal daarover lezen. Een gouden verhaal. Wat je nu leest bijvoorbeeld. 

Stel je even voor: deze aarde, maar dan nergens groen. Geen boompje te zien, laat staan een bos, of desnoods paar gezellige pinksterbloemen. Met die wereld is het allemaal begonnen, toen God out of the blue wat stof bij elkaar veegde en er wat van maakte. Stof, er was niets beters. De mens was stof. En daaruit schiep hij een mens, alleen was aan die mens niets te beleven. Hij bewoog niet, hij maakte geen geluid, hij was niet koud of warm en ook God werd er niet koud of warm van. Toen blies hij zijn eigen adem in de neus van de mens. Levensadem. De mens werd een levende ziel. 

Denk niet dat het meeviel, ook niet voor God. De mens had niets te doen en voelde zich onveilig. Daarom legde God een tuin aan. Helemaal alleen voor de mens. In de tuin kwamen stoere vruchtbomen te staan. En midden in de tuin plantte God een speciale boom die een bijzondere naam kreeg: de boom van kennis van Goed en Kwaad. Een soort godenboom. Daar moet je wijs mee omgaan, had God gezegd, anders gebeuren er vreselijke dingen. Vier rivieren voorzagen de tuin van water, het kon niet beter. Een paradijs!

Nu was het de beurt aan de mens. God nam de mens en zette hem in de tuin om die te bewerken en te erover te waken. Hij kreeg wel een handleiding mee: ‘Van alle bomen mag je vrij eten, behalve van die ene boom in het midden. Daarvan mag je niets eten, anders ga je dood.’ 

Dood… de mens kon zich er niets bij voorstellen. Hij was alleen, en je alleen voelen lijkt een beetje op dood zijn. Maar daar wist God iets op. Hij maakte een tweede mens, een geboren helper. Daarover gaat een gouden verhaaltje. Dat God een van de ribben van de mens genomen had en uitgebouwd had tot een vrouw. En dat de mens tegen de vrouw gezegd had: ‘Jij bent het helemaal voor mij. Jij kent mij, zoals ik mezelf ken.’ 

Het zou verkeerd aflopen. De vrouw liep door de tuin en stuitte op een slang. Die begon tegen de vrouw te praten – dat doen slangen doorgaans niet – en vertelde dat de vrucht van de heilige boom zo lekker smaakte en dat je als God zou worden als je ervan at. Het is nog gevaarlijker, vulde de vrouw aan, als je die boom aanraakt is het al mis, dat wordt je dood.’

 

De vrouw keek naar de boom en nog eens, ze kon niet van de boom afblijven. Ze plukte een vrucht die er gewoon om vroeg om opgegeten te worden. Toen ontdekten zij en de mens dat ze naakt waren, en niet zo verstandig. God zou voor kleren zorgen, maar zij moesten de enge wereld in. De tuin werd afgegrendeld. Geen mens kon erin of uit. 

En die boom, misschien staat hij er nog wel. Maar niemand komt langs de gewapende engelen die de tuin sindsdien bewaken, vertelt het verhaal.

Bijbel en burgerschap

Blog

Bijbel en burgerschap

Erik Renkema - 17 september

Dr. Erik Renkema is onderwijstheoloog en als adviseur identiteit werkzaam voor Verus. Voorheen was hij docent en onderzoeker in het hoger beroepsonderwijs. In zijn werk en zijn verhalen neemt hij ook zijn ervaringen als leerkracht en kerkelijk werker mee. Eerder droeg hij bij aan verhalenbundels voor kinderen over allerlei levensthema’s en schreef hij het prentenboek ‘De Speelboom’ en de jeugdroman ‘Stroomhoofd’.

Voor 'Gouden Bijbelverhalen' schrijft Erik bij elk van de prentenboeken een bijdrage over de kracht van deze verhalen voor o.a. het onderwijs.

Het oeroude verhaal uit Genesis 2 vertelt over de oorsprong van al het leven. Het is het tweede Bijbelse scheppingsverhaal, na Genesis 1. Natuurlijk kunnen oorsprongverhalen als dit over Adam en Eva helpen bij het filosoferen over het begin van de wereld en het (menselijk) leven. Maar juist in dit verhaal is de onderlinge relatie tussen deze twee mensen een uitnodigende gedachte. Daarmee wordt een beeld neergezet van de relatie tussen mensen, juist ook vandaag. Bij uitstek is dit verhaal dan ook geschikt om samen met kinderen na te denken over de vraag wat een ander mens voor je kan zijn. 

Al snel kun je in het onderwijs daarmee het verband leggen met burgerschapsvorming: een verplicht en zeer belangrijk element van basis- en voortgezet onderwijs. Daarbij gaat het om het leren respectvol om te gaan met mensen die verschillende voorkeuren, mogelijkheden en overtuigingen hebben. Dit onderwijs stimuleert de ontwikkeling van democratische waarden van gelijkwaardigheid, vrijheid en solidariteit bij kinderen. 

Bijbelverhalen als dit kunnen hierbij van grote waarde zijn. Juist als we burgerschapsonderwijs als een vormende dimensie van onderwijs zien, moet de Bijbel daar een belangrijke rol in spelen. Het oefent de leerlingen midden in de samenleving te staan, maar ook te reflecteren op zijn eigen waarden, ervaringen en beelden. Voor die identiteitsvorming zijn perspectieven uit de Bijbel nodig. Personen en wijsheden uit de Bijbel dagen leerlingen uit, maken hen open, kritisch en nieuwsgierig. Dat is in de kern de bedoeling van burgerschapsvorming.

Adam en Eva worden elkaar geschonken. In Genesis 2, 18 zegt God bij dit schenken: ‘Het is niet goed dat de mens alleen is. Ik zal een helper voor hem maken die bij hem past.’ Hier kan veel misverstand over bestaan. Het Hebreeuwse woord voor ‘helper’ duidt niet op een gehoorzame assistent, maar wordt in de Bijbel ook voor God gebruikt. De Herziene Statenvertaling spreekt dan ook over ‘een hulp als iemand tegenover hem.’ 

Dat tegenover kan dan ook duiden op een kritische tegenstem, een klankbord, een luisterend oor, iemand die ongevraagd de handen uit de mouwen steekt. Verschillende rollen kunnen vervuld worden door verschillende mensen. Het verhaal gaat zeker niet uitsluitend over een man en een vrouw in een romantische relatie. 

Denk met kinderen daarover na: wat kan een ander mens allemaal voor jou zijn, betekenen? Moet een vriend alles voor je zijn? Of kan iemand ook iets bijzonders voor je zijn, en een ander weer iets anders? Wat is iemand voor jou? En wat ben jij voor een ander?

Het verhaal van de slang

Blog

Het verhaal van de slang

Inez van Oord 21 september

Inez van Oord is uitgever, auteur en oprichter van o.a. Happinez, het tijdschrift dat spiritualiteit voor een breed publiek toegankelijk maakte en uitgroeide tot een succesvol merk in Nederland, België, Frankrijk en Duitsland. Samen met haar broer, theoloog Jos van Oord, schreef zij de bestseller Rebible, een eigentijdse herlezing van de Bijbel als bron van spirituele inspiratie en wijsheid.

Inez schrijft voor Gouden Bijbelverhalen blogs waarbij ze het Bijbelverhaal onder haar scherpe loep legt en er verrassende vragen over stelt.

Stel je bent een God, en je bedenkt zoiets verrukkelijks als het paradijs. Je zet er twee hoofdrolspelers in, een man en een vrouw, ze zijn naakt gelukkig. Dan laat je dat sprookje toch intact? Waarom zou je anders een tuin van Eden hebben bedacht. En toch kwam God, of in elk geval de verteller van het verhaal, met dat ene ding, die ene boom, waar ze vanaf moesten blijven.

De grote vraag is natuurlijk: waar gaat dit verhaal over? Over gehoorzaamheid (belerend) of over de vrouw als slecht mens (waarom heb je haar geschapen, zou je dan denken) of gaat het over het begin van bezit? Je mag alles eten, maar die boom is van mij! Daar blijf je vanaf. Een paradijselijke wij-zullen-alles-delen-economie is dat bepaald niet.

In de tekst staat: ze mogen niet eten van de boom van goed en kwaad, want dan zullen ze sterven. Iedereen weet hoe het afloopt. Er woont een slang in de boom. De Naardense Bijbel omschrijft het dier als ‘een uitgekleder dier dan al wat in het wild leeft’, dat lispelt: 'Je zult echt niet sterven als je van deze boom eet. Integendeel, je ogen zullen opengaan en jullie zullen als goden zijn'.

De boom is een lust voor het oog. Er staat zelfs: ‘Ze vond het aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken.’ En in de Bijbel van mijn vader (de Statenvertaling) staat: ‘Een boom die begeerlijk was verstandig te maken’.

Dat is bijzonder, dat biedt andere perspectieven. Als het een boom is om verstandig te worden, is het misschien wel interessant dat juist de vrouw die ontwikkeling zoektMaar eerst het verhaal afmaken. Ze eten, de ogen gaan open en ze merken dat ze naakt zijn. Dan horen ze het geluid van God langskomen in de avondwind en verschuilen zich. ‘Adam, waar ben je? Wie heeft je verteld dat je naakt bent? Dan heb je van de boom gegeten,’ zegt God.

Ja, zegt de man, en hij geeft heel kinderachtig de vrouw de schuld: 'Zij heeft ervoor gezorgd dat ik van de vrucht heb gegeten'. En de vrouw geeft, ook onvolwassen, de schuld aan de slang.

God zegt tegen de slang: 'Je bent vervloekt.' En tegen de vrouw: 'Je zwangerschap maak ik tot een zware last. Zwoegen zul je als je baart.' En tegen de man: 'Zweten zul je voor je brood, totdat je terugkeert tot de aarde. Stof ben je. En tot stof keer je terug.'

God kleedt ze aan, met klederen van dierenvellen. En stuurt ze weg, de hof uit, einde verhaal.

Wat een drama. En wat een ellende heeft dit verhaal in de wereld veroorzaakt. Nou ja, niet het oerverhaal, maar de interpretatie ervan. De vrouw als verleider. Luister nooit naar een vrouw, je wordt het paradijs uit gestuurd. Bovendien... we zijn nog maar net in de Bijbel begonnen en het woord ‘zonde’ komt in beeld. De mens is een zondig wezen. Ongehoorzaam. De mens is slecht. Wat een negatieve boodschap. Is het ons verkeerd uitgelegd?

Want stel dat je er anders naar kijkt. Ik probeer even iets: die boom wordt de boom van goed en kwaad genoemd, de boom van dualiteit. Als je daarvan eet krijgt voortaan alles een oordeel: goed of kwaad, zwart of wit, ja of nee, lelijk of mooi. Precies zo zit onze manier van denken in elkaar. We denken in tegenstellingen. De boom is misschien wel symbool voor dát. Wat ik leerde van leraren uit Oosten en Westen is dat een verlichte geest non-duaal is; dus het eenheid-denken dat we allemaal zo graag willen bereiken… dat is het paradijs! Als we verlost zijn van al onze belemmerende gedachten, dan verkeren we in een staat van zijn die misschien wel een staat van Zijn genoemd mag worden.

Maar in dit verhaal is alles andersom. Wij verlangen misschien naar het paradijs, maar Adam en Eva komen er juist vandaan. Misschien wordt hier op een mooie manier verteld dat ze een bewustzijn hadden, maar geen verstand. Als dieren? Niet bewust van naaktheid?

En dan komt het verstand in beeld. We zijn een ziel, en krijgen – in de mythe via een appel – ons zelfbewustzijn mee. We zien onszelf. We zullen moeten dealen met goed en kwaad. Dat maakt ons mens.

Mijn broer Jos kijkt totaal verbaasd. ‘Zo heb ik er nog nooit, echt nog nooit naar gekeken. Dit is vernieuwend voor mijn denken.’

Hij ziet het zo: ‘Er is een tuin met een boom van kennis van goed en kwaad waar je niet van mag eten. Deze boom moet intact blijven. Deze boom moet ongerept blijven. De mens mag zich niet vergrijpen aan dit weten. Niet om de mens onschuldig te houden, geen kinderlijke onschuld, maar juist om de mens tegen zichzelf beschermen. Als je er niets van weet, van goed en kwaad, kom je ook niet in de verleiding om die dingen door elkaar te halen.

Daarbij speelt nog iets bijzonders. De Bijbel is een voorleesboek. Als je het verhaal hoort, hoor je de naam van de slang. Nachasj. Met een sisser aan het eind. Nachasj betekent 'slang' in het Hebreeuws, koperen slang. En koper was kostbaar, het werd gebruikt als geld, ruilmiddel. In het kielzog van Nachasj kom je dus bij geld, en dan vanzelf bij oorlog, bij economie en geweld.

De slang en de boom zijn voor mij symbool van: weten dat je fout bezig bent maar het goedpraten, je geweten sussen, denken dat je conflicten met geweld kunt oplossen. Ik bedoel te zeggen dat je goed en kwaad verwisselt. Als je kennisneemt van die boom, neem je ook afscheid van je onbevangenheid, dan verlies je je onschuld, en krijg je kennis van argwaan en angst. Dan ga je je verbergen, zoals Adam en Eva. Gelukkig is daar in dit verhaal de vraag: waar ben je? Alsof de mens een spiegel wordt voorgehouden. En neem je verantwoordelijkheid, schuif die niet af naar een slang. Maar kijk waar je staat tussen goed en kwaad. En hoe je verder wilt.’

Zou kunnen, we weten allebei niet zeker hoe het verhaal is bedoeld. Eeuwen later mogen we zoeken naar nieuwe verklaringen, waarom niet?

Het zou toch zomaar kunnen dat die slang helemaal niet zo slecht is, maar dat hij wordt opgevoerd als symbool voor verandering. Misschien staat die slang wel voor de overgang naar een ander bewustzijn. De slang, als een van de weinige dieren, gooit zijn huid af en begint een nieuw leven. Zo ging het met Adam en Eva. Ze begonnen een nieuw leven. Niet als dieren die een instinct volgen. Maar als mensen. Als zelfbewuste mensen, ze trekken de wereld in. Die zit vol goed en kwaad. En pas als je doorhebt dat die twee bij elkaar horen, dat je de eenheid weer gaat zien of ervaren, dan kom je terug in het geestelijke paradijs. Dat staat ook in dit scheppingsverhaal, in deze mythe: dat je dan kunt zijn als God. Dus dat zal onze uitdaging zijn. Als je ego niet meer opspeelt, als je frustraties niet meer tevoorschijn komen, als je vooroordelen verdwijnen, als je áchter het denken kunt kijken. Als je het leven als licht ervaart, dan ben je rijp voor het paradijs.

But not yet

Dit was nog maar in den beginne 

Nieuwsbrief

Meld je aan voor onze maandelijkse nieuwsbrief.
Over nieuwe artikelen, filmpjes en materiaal voor kinderen (allemaal gratis!)